Home N en F Radioexamen QRP in Nederland met weinig zendvermogen

QRP in Nederland met weinig zendvermogen

QRP-radio met draadantenne voor verbindingen met laag zendvermogen vanuit Nederland Titel: Afbeelding QRP-radioverbinding met laag zendvermogen
Met een doelmatige antenne en gunstige propagatie kan een QRP-station met enkele watts grote afstanden overbruggen.

QRP is radioamateurverkeer met een laag zendvermogen; in veel amateurkringen gelden 5 watt bij morse (CW) en digitale modes en 10 watt piekvermogen bij enkelzijbandspraak (SSB) als praktische grenzen. Ook daarmee zijn grote afstanden haalbaar. Een doelmatige antenne, rustige ontvangst en gunstige propagatie bepalen het resultaat. In Nederland blijven de gewone registratie-, frequentie- en veiligheidsregels volledig gelden.

QRP als bewuste bedrijfswijze

QRP is geen afzonderlijke Nederlandse registratie of wettelijke vermogensklasse. De term komt uit het internationale Q-codegebruik en is onder radioamateurs de aanduiding geworden voor werken met weinig zendvermogen. Veel verenigingen en wedstrijden hanteren 5 watt als grens voor CW en digitale signalen, en 10 watt piekvermogen voor SSB. Dat zijn praktijkafspraken; de nationale frequentievoorwaarden blijven bepalend voor wat een Nederlandse radioamateur mag uitzenden.

Bij SSB wordt het hoogste uitgangsvermogen tijdens modulatie aangeduid als piekomhullend vermogen, afgekort PEP. De zender bereikt deze waarde alleen tijdens spraakpieken. Tien watt PEP betekent daarom iets anders dan tien watt van een onafgebroken draaggolf. CW, FT8 en andere modes kunnen de eindtrap veel langer achtereen belasten, ook wanneer de meter hetzelfde getal aanwijst. Een lage instelling ontslaat de gebruiker niet van controle op koeling, voedingsspanning en een schoon uitgezonden signaal.

Het verschil tussen watt en decibel

Het verschil tussen 100 en 5 watt klinkt groter dan het op de ontvangstmeter vaak lijkt. De afname bedraagt 13 decibel. De stap van 100 naar 10 watt komt neer op 10 decibel, terwijl een verdubbeling van het zendvermogen slechts 3 decibel oplevert. Enkele decibels winst door een betere antenne, minder kabelverlies of een rustiger frequentiegebied kunnen daardoor zwaarder wegen. Een bescheiden verhoging van het vermogen is niet altijd de beste ingreep.

QRP kan natuurkundige verliezen niet laten verdwijnen. Een zwak station houdt minder marge over wanneer fading optreedt, de ruis stijgt of een sterk station op een nabije frequentie begint te zenden. De kunst bestaat uit het beperken van vermijdbare verliezen en het kiezen van een radioverbinding die op dat moment kansrijk is. Dat maakt QRP tot systeemdenken: zender, antenne, voedingslijn, ontvanger, mode en ionosfeer werken als één geheel.

Ontvangst bepaalt de helft van de verbinding

Een radioverbinding lukt pas wanneer beide stations elkaar kunnen verstaan. Op HF, het frequentiegebied van 3 tot 30 MHz, wordt de ontvangst in een woonwijk vaak begrensd door ledverlichting, schakelende voedingen, ethernetapparatuur, laadapparaten en omvormers van zonnepanelen. Extra voorversterking maakt zulke storing meestal alleen harder. Ook kan de ontvanger erdoor worden overbelast. Minder radiofrequente versterking, een geschikte verzwakker, een mantelstroomfilter en het opsporen van storingsbronnen geven dan een rustiger resultaat.

Een smaller ontvangstfilter vermindert de hoeveelheid ruis die de ontvanger doorlaat. Onder ideale omstandigheden bevat een filter van 200 hertz ongeveer 11 decibel minder breedbandruis dan een doorlaat van 2700 hertz. CW profiteert daarvan sterk, terwijl spraak voldoende bandbreedte nodig heeft om verstaanbaar te blijven. Een filter moet daarom zo smal zijn als de mode en de situatie toelaten, maar niet zo smal dat toon, timing of spraakinformatie verloren gaat.

De antenne als eerste investering

Een eenvoudige draadantenne kan meer verschil maken dan een duurdere transceiver. Bij laag vermogen telt iedere watt die in coax, spoelen, transformatoren of een slechte bodem verdwijnt. Een resonante halvegolfdipool heeft weinig onderdelen, is goed meetbaar en kan met gewone antennedraad worden gebouwd. De inverted-V gebruikt hetzelfde principe, maar past met één centrale mast vaak gemakkelijker in een tuin of op een tijdelijk veldstation.

Dipool en inverted-V

Voor de totale lengte van een halvegolfdipool geldt als praktisch startpunt 143 gedeeld door de frequentie in megahertz. Rond 7,1 MHz komt dat uit op ongeveer 20,1 meter, verdeeld over twee gelijke benen. Bij 14,2 MHz is dat ongeveer 10,1 meter. De definitieve maat hangt af van draaddikte, isolatie, ophanghoogte en voorwerpen in de omgeving. Bouw de antenne daarom iets te lang en kort beide zijden gelijkmatig in op de uiteindelijke hoogte.

De voedingskabel hoort bij een symmetrische dipool niet ongecontroleerd mee te stralen. Een 1-op-1-stroomchoke bij het voedingspunt remt stroom over de buitenkant van de coax en verkleint de kans op storing in huis. Korte, degelijke coax beperkt verlies, vooral op hogere frequenties of bij een ongunstige staandegolfverhouding. Connectoren verdienen eveneens aandacht: vocht, corrosie en een los contact kosten bij 5 watt al snel een merkbaar deel van de beschikbare marge.

De hoogte verandert zowel de afstralingshoek als het richtingspatroon. Een 40-meterdipool op bescheiden hoogte zendt relatief veel energie onder hoge hoeken uit, wat gunstig kan zijn voor verbindingen binnen Nederland en omliggende landen. Op grotere hoogte ontstaat meer energie onder lagere hoeken, wat doorgaans beter past bij langere afstanden. Een horizontale dipool straalt vooral haaks op de draad, zodat ook de oriëntatie invloed heeft op welke gebieden goed bereikbaar zijn.

Eindgevoede draad en vertical

Een eindgevoede halvegolfantenne is geliefd omdat één hoge steun vaak volstaat. Aan het gevoede uiteinde kan de impedantie enkele duizenden ohms bedragen. Daarom wordt vaak een transformator met een impedantieverhouding rond 49 op 1 gebruikt. Een lage staandegolfverhouding bewijst echter niet dat de antenne efficiënt straalt; kernverlies en stroom over de coax blijven mogelijk. De plaatsing van een stroomchoke en de retourweg voor de antennestroom moeten bewust worden gekozen en gemeten.

Een kwartgolfvertical voor 20 meter is ongeveer vijf meter lang en kan energie onder betrekkelijk lage hoeken uitstralen. Dat is aantrekkelijk voor verre verbindingen, maar de radialen en bodemverliezen bepalen hoeveel zendvermogen werkelijk wordt uitgestraald. Een vertical ontvangt bovendien storing uit veel richtingen, waardoor hij in een woonwijk onrustiger kan klinken dan een horizontale draad. Meerdere radialen van voldoende lengte leveren meestal meer op dan een fraaie metalen voet met te weinig geleidend oppervlak.

Sterk verkorte sprietantennes zijn handig wanneer ruimte en gewicht zwaarder wegen dan rendement. De verkortspoel en de kleine stralingsweerstand veroorzaken verlies, terwijl de bruikbare bandbreedte smal wordt. Zo kan een compacte antenne een verbinding mogelijk maken die anders niet plaatsvindt, maar zij vormt zelden de beste maatstaf voor wat 5 watt kan bereiken. Voor tijdelijk gebruik wint een lichte mast met een volwaardige draadantenne het vaak van een kostbare korte spriet.

De rol van een antennetuner

Een antennetuner verandert de impedantie die de transceiver aan zijn aansluiting ziet. Hij maakt een slecht stralende antenne niet vanzelf doelmatig en haalt verloren energie niet terug. Staat de tuner in de shack terwijl een lange coax met hoge staandegolfverhouding wordt gevoed, dan ontstaat het lijnverlies al vóór de aanpassing. Voor QRP is de verstandige volgorde daarom: een passende antenne, een goede voedingslijn, beheersing van mantelstromen en pas daarna aanvullende aanpassing.

Met een antenne-analyzer zijn niet alleen de laagste staandegolfverhouding, maar ook weerstand en reactantie te beoordelen. Meet bij voorkeur in de opstelling waarin de antenne werkelijk wordt gebruikt. De omgeving doet namelijk mee. Een draad die op één meter boven de grond netjes resoneert, kan op tien meter hoogte duidelijk verschuiven. Noteer frequentie, hoogte en meetwaarden, zodat wijzigingen niet op geheugen of gevoel worden beoordeeld.

Propagatie boven Nederland

QRP gebruikt dezelfde ionosfeer als ieder ander HF-station. Zonlicht, seizoen, tijdstip en geomagnetische activiteit beïnvloeden welke frequenties door de ionosfeer worden teruggebogen en hoeveel energie onderweg wordt geabsorbeerd. Overdag verzwakt de D-laag vooral lagere HF-signalen, terwijl hogere banden voldoende ionisatie nodig hebben om open te gaan. Na zonsondergang neemt de lage-bandabsorptie af, maar kunnen 20, 15 en 10 meter voor sommige trajecten sluiten.

Een bruikbare combinatie van banden

Voor een Nederlands beginstation vormen 40 en 20 meter een bruikbare combinatie. Veertig meter biedt veel verkeer binnen Nederland en Europa, vooral van de late middag tot in de nacht, al kan de band druk en rumoerig zijn. Twintig meter is overdag en rond de schemering vaak geschikt voor langere Europese en intercontinentale verbindingen. Geen van beide banden is voortdurend open; luisteren blijft betrouwbaarder dan een vaste klokregel.

Tachtig meter is in de avond en nacht bruikbaar voor regionale verbindingen, maar vraagt een lange antenne en kent geregeld veel atmosferische en plaatselijke ruis. Dertig meter is aantrekkelijk voor CW en smalle digitale modes en blijft vrij van gewone contestactiviteit. Ook 17 en 12 meter zijn rustige tussenbanden. Deze vier banden vallen niet onder de Nederlandse N-registratie, zodat de actuele frequentietabel vóór het zenden moet worden gecontroleerd.

Tien meter kan lange tijd stil lijken en daarna plots stations uit heel Europa of verder laten horen. Tijdens perioden met sterke zonneactiviteit ondersteunt de F-laag verre verbindingen, terwijl sporadische E vooral in het late voorjaar en de zomer onverwachte Europese paden kan openen. Het lage achtergrondgeluid maakt de band bij een opening bijzonder aantrekkelijk voor QRP. Een eenvoudige halve golf voor 10 meter is bovendien maar ongeveer vijf meter lang en past daardoor op veel locaties.

Timing en ruimteweer

Zonnevlekgetal en zonneflux geven een indruk van de ionisatie die hogere banden kan ondersteunen, maar vertellen niet het hele verhaal. Een zonnevlam kan de lagere HF-banden aan de dagzijde tijdelijk sterk verzwakken, terwijl een geomagnetische storm vooral polaire en lange trajecten ontregelt. Lokale ruis en drukte kunnen tegelijk belangrijker zijn dan de toestand van de zon. Actuele waarnemingen op de band moeten daarom altijd naast ruimteweerberichten worden gelegd.

De uren rond zonsopkomst en zonsondergang leveren soms verbindingen op die midden op de dag of nacht ontbreken. Dat effect verschilt per frequentie, richting, seizoen en toestand van de ionosfeer; de schemerzone is geen automatische snelweg voor ieder signaal. Digitale ontvangstkaarten en eigen luisterwaarnemingen kunnen laten zien waar een signaal werkelijk aankomt. Wie tijden, rapporten en antenne-instellingen bijhoudt, bouwt na enkele maanden een bruikbaarder lokaal beeld op dan een algemene propagatietabel biedt.

Modes voor weinig vermogen

Een mode bepaalt hoeveel informatie in welke bandbreedte en tijd wordt overgedragen. Smalle signalen concentreren de energie en laten aan de ontvangstzijde een smaller filter toe. Daarom komen CW en enkele digitale zwaksignaalmodes bij hetzelfde zendvermogen verder boven de ruis uit dan gewone spraak. De beste keuze hangt ook af van het doel: een kort rapport uitwisselen vraagt iets anders dan een natuurlijk gesprek of een noodbericht.

CW en SSB

CW gebruikt een draaggolf die met een seinsleutel wordt in- en uitgeschakeld. Het signaal neemt weinig ruimte in en blijft met een smal filter nog herkenbaar wanneer spraak al in de ruis verdwijnt. Goede timing en een aangepast tempo zijn belangrijker dan hoge seinsnelheid, zeker wanneer de tegenpartij moeite heeft met ontvangst. De benodigde Morsevaardigheid kost oefening, maar geeft de operator rechtstreeks controle over ritme, herhaling en woordkeuze.

SSB vraagt meer bandbreedte en een hogere signaal-ruisverhouding, maar 5 tot 10 watt kan bij goede omstandigheden verrassend bruikbaar zijn. Spreek rustig en houd de microfoonafstand constant. Alleen gematigde compressie gebruiken levert een schoner signaal op dan hard roepen. Oversturing veroorzaakt vervorming en ongewenste zijbandproducten zonder de verstaanbaarheid evenredig te verbeteren. Bij zwakke spraak helpt een vrije frequentie vaak meer dan nog een ronde aan de microfooninstellingen.

FT8, FT4 en WSPR

FT8 werkt met vaste zend- en ontvangstperioden van vijftien seconden en gebruikt foutcorrectie om korte, gestandaardiseerde berichten bij een lage signaalsterkte te verwerken. FT4 is sneller en past goed bij vlot radioverkeer, maar levert daarvoor enige gevoeligheid in. WSPR is bedoeld om propagatiepaden met zeer zwakke signalen te onderzoeken en is geen gewone gespreksmode. Deze toepassingen tonen goed waar een klein vermogen wordt ontvangen, maar een automatische decode is niet hetzelfde als een gevoerd gesprek.

Digitale modes stellen andere eisen aan de opstelling dan CW of SSB. De computerklok moet nauwkeurig lopen en het audioniveau mag de zender niet oversturen. Ook onnodig ingrijpen van de automatische niveauregeling, meestal ALC genoemd, hoort te worden vermeden. Herhaalde zendperioden geven de eindtrap en voeding een veel hogere gemiddelde belasting dan normale spraak. Begin onder het maximale vermogen, controleer temperatuur en uitgangssignaal, en verhoog alleen wanneer de apparatuur schoon en stabiel blijft werken.

Werken op de amateurbanden

Luisteren is de eerste handeling van een doelmatig QRP-contact. Een sterk ontvangen station is een logisch beginpunt, maar geeft geen garantie op antwoord. Het kan met veel vermogen of een richtantenne zenden, terwijl plaatselijke ruis aan de andere kant uw oproep maskeert. Controleer of de frequentie vrij is, roep kort en geef de roepnaam duidelijk. Lange reeksen oproepen verspillen tijd en bemoeilijken een antwoord op het juiste moment.

Het bandplan van de International Amateur Radio Union voor Region 1 noemt centra van activiteit voor QRP, waaronder 7,030 MHz voor CW en 7,090 MHz voor SSB op 40 meter. Op 20 meter liggen zulke punten rond 14,060 en 14,285 MHz. Het zijn ontmoetingsgebieden, geen gereserveerde kanalen, zodat ander toegestaan verkeer er evenveel recht op heeft. Is de frequentie bezet of ontstaat storing, dan is enkele kilohertz opschuiven gewoon goed amateurgebruik.

Wedstrijden kunnen een rustige verbinding bemoeilijken, maar bieden ook veel sterke tegenstations met goede antennes. De zoek-en-roepmethode werkt bij QRP vaak beter dan zelf langdurig een frequentie bezetten. Op 30, 17 en 12 meter hoort volgens het regionale bandplan geen contestverkeer plaats te vinden, wat deze banden voor bevoegde gebruikers aantrekkelijk maakt. Buiten wedstrijden blijft dezelfde discipline nuttig: luisteren, bondig antwoorden en een mislukte poging niet eindeloos herhalen.

Een logboek maakt verbetering meetbaar. Noteer naast roepnaam, band en tijd ook vermogen, antenne, rapport en opvallende propagatie. Verander bij een proef slechts één onderdeel, bijvoorbeeld de antennehoogte, filterbreedte of het vermogen, zodat het resultaat nog te duiden is. Eén bijzonder verre verbinding bewijst weinig over de gemiddelde werking; een reeks vergelijkbare waarnemingen laat veel beter zien welke aanpassing werkelijk helpt.

Een doelmatig eerste QRP-station

Een goede eerste opstelling hoeft niet ingewikkeld te zijn. Een transceiver met instelbaar laag vermogen, een resonante dipool voor 40 of 20 meter, een stroomchoke, korte coax en een hoofdtelefoon vormen al een volwaardig station. Voor digitale modes komen daar een geschikte audioverbinding en tijdsynchronisatie bij. Een ingebouwde tuner is handig, maar staat in de aanschafvolgorde achter antenne, mast, kabel en meetmiddelen.

Een antenne-analyzer, degelijke dummyload en eenvoudige vermogensmeter helpen om fouten te vinden voordat er wordt uitgezonden. De dummyload maakt een test mogelijk zonder dat het signaal via de antenne de band op gaat. Meet ook het werkelijke uitgangsvermogen, want de schaal op een kleine transceiver is niet altijd exact bij iedere voedingsspanning en band. Zelfbouwfilters en transformatoren moeten na montage worden gecontroleerd op aanpassing, verlies, verhitting en onderdrukking van ongewenste frequenties.

Voor tijdelijk gebruik biedt een lichte glasvezelmast met een inverted-V een gunstige verhouding tussen gewicht en rendement. Een accu maakt een rustige locatie mogelijk, ver weg van huishoudelijke storing, maar de voedingskabel moet vlak bij de positieve pool worden gezekerd. Bescherm connectoren tegen vocht en zorg voor trekontlasting, zodat wind niet rechtstreeks aan de aansluitingen trekt. Een eenvoudige opstelling die snel en steeds hetzelfde wordt opgebouwd, geeft meestal betrouwbaardere resultaten dan een tas vol zelden geteste accessoires.

Nederlandse regels en veilig gebruik

Uitzenden op de amateurbanden mag in Nederland pas na het behalen van het passende examen en registratie bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur. De radioamateur ontvangt daarbij een roepnaam en moet zich houden aan de frequenties, vermogens en overige voorwaarden van de eigen registratie. QRP verandert niets aan die plichten en geeft geen toegang tot een band die voor de gebruiker niet is toegestaan. De instelling van een ontvanger verruimt de zendbevoegdheid evenmin.

De N-registratie geeft op HF toegang tot 7,0 tot 7,2 MHz, 14,0 tot 14,35 MHz en 28,0 tot 29,7 MHz. Op elk van deze banden geldt maximaal 100 watt PEP. Op 144 tot 146 MHz en 430 tot 440 MHz is dat 25 watt PEP; tussen 436 en 440 MHz is de amateurdienst secundair en mag hij primair verkeer niet ontoelaatbaar storen. QRP blijft daar ruim onder, maar bandgrenzen en nationale emissievoorwaarden blijven onverminderd gelden.

De F-registratie geeft toegang tot meer amateurbanden en staat op veel gebruikelijke HF-banden maximaal 400 watt PEP toe. Dat vermogen geldt niet zonder uitzondering voor iedere frequentie. Zo is op de 60-meterband slechts 15 watt effectief isotroop uitgestraald vermogen toegestaan, terwijl ook andere banden eigen beperkingen kennen. Controleer vóór ingebruikname de actuele wettelijke tabel, want een algemene vuistregel kan een bandgebonden voorwaarde niet vervangen.

Het bandplan van IARU Region 1 ordent delen van de amateurbanden naar modes, bandbreedtes en activiteiten. Het is een vrijwillige operationele aanbeveling en geen juridisch bindende Nederlandse norm. De afspraken beperken onderlinge hinder, terwijl de Nederlandse wetgeving bij een verschil altijd voorrang heeft. Ook een centrum van activiteit is geen exclusieve toewijzing. Goed amateurgebruik betekent daarom dat de operator zowel de wettelijke tabel als het actuele bandplan raadpleegt en vóór iedere uitzending luistert.

Laag vermogen is niet hetzelfde als ongevaarlijk vermogen. Bij het uiteinde van een halvegolfdraad en in een aanpassingsnetwerk kunnen ook bij 5 watt hoge radiofrequente spanningen ontstaan, met kans op een pijnlijke brandwond. Houd verbindingen en antenne-uiteinden buiten bereik en plaats antennes ver van bovengrondse elektriciteitsleidingen. Koppel een buitenantenne vóór een onweersbui op een veilig moment los en zorg voor passende aarding, potentiaalvereffening en overspanningsbeveiliging. Werk nooit aan een voedingspunt, tuner of open connector zolang de zender kan worden ingeschakeld.

Ook de blootstelling aan elektromagnetische velden hangt niet alleen van het zendervermogen af. Frequentie, antennewinst, afstand, zendduur en de plaats ten opzichte van de antenne bepalen samen de veldsterkte. Een eindgevoede draad vlak langs een balkon of zitplaats kan plaatselijk ongunstiger zijn dan een vrij opgestelde antenne met iets meer vermogen. Houd daarom afstand tot stralende delen en beoordeel de opstelling bij de werkelijk gebruikte mode en zendduur.

Elektromagnetische storing wordt bij de bron bestreden. Een symmetrische antenne, een passende stroomchoke, korte kabels en ferriet op storingsgevoelige leidingen verkleinen de kans dat RF via voeding, computer of audiokabel terugkeert. Controleer na zelfbouw of aanpassing ook harmonischen en andere ongewenste signalen met geschikte meetapparatuur. Ontstaat storing bij buren of eigen apparatuur, stop dan met zenden, bepaal de koppelweg en herstel de oorzaak voordat het vermogen opnieuw wordt opgevoerd.

Conclusie

QRP maakt verre radioverbindingen mogelijk, maar biedt geen sluiproute rond ruis, antenneverlies of ongunstige propagatie. Het lage vermogen dwingt tot zorgvuldige keuzes: eerst goed ontvangen, daarna een doelmatige antenne bouwen en pas zenden wanneer band en tijdstip passen. Wie die volgorde aanhoudt, kan met enkele watts binnen Nederland, door Europa en soms wereldwijd worden gehoord. De afstand alleen is daarbij niet de beste maatstaf; herhaalbare, schone verbindingen zeggen meer over de kwaliteit van een station.

De grootste winst zit vaak in zaken die geen extra zendvermogen vragen. Een stillere locatie, minder mantelstroom, een beter geplaatst stuk draad en geduldig luisteren leveren samen al snel meerdere decibels op. Daardoor is QRP tegelijk een praktische bedrijfswijze en een scherpe test van technisch inzicht en bedieningsvaardigheid. Het resultaat blijft afhankelijk van natuur en tegenstation, juist daarom geeft iedere geslaagde verbinding bruikbare informatie voor de volgende proef.

Laatst bijgewerkt op 5 september 2026

Bronnen en meer informatie

    1. DeMaw, Doug (1991). W1FB’s QRP Notebook. American Radio Relay League. ISBN 978-0-87259-365-7.
    2. Dobbs, George (2003). QRP Basics. Radio Society of Great Britain. ISBN 978-1-872309-91-0.
    3. American Radio Relay League (2023). The ARRL Antenna Book for Radio Communications. American Radio Relay League. ISBN 978-1-62595-176-2.
    4. Davies, Kenneth (1990). Ionospheric Radio. Peter Peregrinus. ISBN 978-0-86341-186-1.
    5. Nyquist, Harry (1928). Thermal Agitation of Electric Charge in Conductors. Physical Review, 32(1), 110-113. American Physical Society. DOI 10.1103/PhysRev.32.110.
    6. Witvliet, Ben A.; Van Maanen, Erik; Petersen, George J.; Westenberg, Albert J.; Bentum, Mark J.; Slump, Cornelis H.; Schiphorst, Roel (2015). Near Vertical Incidence Skywave Propagation: Elevation Angles and Optimum Antenna Height for Horizontal Dipole Antennas. IEEE Antennas and Propagation Magazine, 57(1), 129-146. IEEE. DOI 10.1109/MAP.2015.2397071.
    7. Franke, Steve; Somerville, Bill; Taylor, Joe (2020). The FT4 and FT8 Communication Protocols. QEX, juli/augustus 2020, 7-17. American Radio Relay League. ISSN 0886-8093.
    8. Taylor, Joe; Walker, Bruce (2010). WSPRing Around the World. QST, november 2010. American Radio Relay League. ISSN 0033-4812.
    9. International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (2020). Guidelines for Limiting Exposure to Electromagnetic Fields (100 kHz to 300 GHz). Health Physics, 118(5), 483-524. Wolters Kluwer Health. DOI 10.1097/HP.0000000000001210.
    10. Overheid.nl: Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015
    11. International Amateur Radio Union Region 1: HF Band Plan

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in