
Een end-fed antenne is een draadantenne die aan één uiteinde wordt gevoed. De bekende end-fed half-wave, of EFHW, gebruikt een resonante halvegolfsdraad en een transformator met een hoge impedantieverhouding. Dat maakt plaatsing eenvoudig en multibandgebruik mogelijk. Goede prestaties vragen wel om zorgvuldige aandacht voor het retourpad, mantelstromen, verliezen en veiligheid.
De end-fed antenne
De resonante halvegolf
Een EFHW bestaat uit een draad die op de laagste gekozen frequentie ongeveer een halve golflengte lang is. Het voedingspunt ligt dicht bij een uiteinde, waar de stroom klein en de spanning hoog is. Daardoor bedraagt de impedantie meestal enkele duizenden ohm, terwijl een moderne transceiver en coaxkabel doorgaans voor 50 ohm zijn bedoeld. Tussen beide is dus een impedantietransformator nodig.
De elektrische lengte is niet precies gelijk aan de lengte die met een meetlint wordt vastgesteld. Draaddikte, isolatie, hoogte, bodem en nabije voorwerpen beïnvloeden de resonantie. Ook de eindcapaciteit van de draad speelt mee. Een berekende maat is daarom een beginwaarde; pas met een meting in de definitieve opstelling wordt duidelijk waar de antenne werkelijk resoneert.
Niet iedere eindgevoede draad is een EFHW
De verzamelnaam end-fed wordt ook gebruikt voor antennes die elektrisch anders werken. Een niet-resonante eindgevoede draad krijgt vaak een 9:1-transformator, een antennetuner en een duidelijk retourpad. De populaire naam random wire is misleidend, want bruikbare lengten worden juist gekozen om zeer hoge en zeer lage impedanties op de gewenste banden te vermijden. Zonder tuner is zo’n draad meestal niet op meerdere banden inzetbaar.
Ook de term long wire wordt losjes gebruikt. Technisch gaat het pas om een lange draad wanneer de geleider op de gebruikte frequentie ongeveer één golflengte of langer is. Een draad van twintig meter gedraagt zich op 40 meter als ongeveer een halve golf, maar op 10 meter als circa twee golflengten. Hetzelfde stuk koper kan dus per amateurband een ander elektrisch karakter hebben.
Stroom, spanning en het retourpad
Een hoogohmig voedingspunt
Langs een resonante halvegolfsdraad staan stroom en spanning niet overal op hetzelfde niveau. Rond het midden ligt een stroommaximum en is de spanning betrekkelijk laag; naar de uiteinden toe neemt de stroom af en stijgt de spanning. Daarom ligt de impedantie van een middengevoede dipool veel dichter bij die van 50-ohmcoax. Bij eindvoeding komt de zender juist terecht op een punt met een veel hogere impedantie.
In een ideaal rekenmodel is de stroom precies aan het uiteinde nul en zou de impedantie oneindig worden. Een echte antenne kent zulke keurige grenzen niet. De draad heeft dikte, de aansluiting neemt ruimte in, de transformator koppelt capacitief en de omgeving beïnvloedt het veld. In de praktijk worden aan het draadeinde vaak waarden tussen ongeveer 1.800 en 5.000 ohm gevonden, afhankelijk van frequentie en opstelling.
Ook een end-fed heeft twee elektrische zijden
Hoogfrequente stroom, meestal RF-stroom genoemd, moet kunnen terugkeren naar de bron, al gebeurt dat niet altijd door een zichtbare tweede antennedraad. Het retourpad kan bestaan uit een korte counterpoise, een deel van de buitenzijde van de coaxmantel, een metalen steun of capacitieve koppeling met aarde en omgeving. Geleidingsstroom en verplaatsingsstroom kunnen samen de kring sluiten. Zonder zo’n pad kan de zender geen blijvende wisselstroom aan de antenne leveren.
De vaak gehoorde bewering dat een EFHW geen counterpoise nodig heeft, betekent meestal dat er geen afzonderlijke tegendraad is gemonteerd. De coaxmantel of de omgeving neemt die taak dan gedeeltelijk over. Dat kan goed werken, maar maakt het gedrag afhankelijker van kabellengte, aarding en aangesloten apparatuur. Het retourpad beïnvloedt daardoor niet alleen de SWR, maar ook ontvangen storing en RF in de shack.
De transformator tussen antenne en zender
Waarom 49:1 vaak wordt gekozen
Een impedantieverhouding van 49:1 past in theorie 2.450 ohm aan naar 50 ohm. Daarvoor is een windingverhouding van 7:1 nodig, omdat de impedantieverhouding het kwadraat van de windingverhouding is. Een uitvoering van 64:1 gebruikt 8:1 en brengt 3.200 ohm theoretisch naar 50 ohm. Beide verhoudingen zijn nuttige uitgangspunten, geen universele waarden voor elke EFHW.
De werkelijke eindimpedantie verandert met de band, de hoogte, de draad, het retourpad en de vorm van de opstelling. Een 49:1-transformator is daarom vooral een compromis dat bij veel installaties redelijk uitpakt. De gangbare schakeling is een autotransformator en wordt vaak unun genoemd, omdat beide zijden ongebalanceerd zijn. Hij zorgt niet voor galvanische scheiding en vervangt evenmin een 1:1-common-modechoke.
Verlies, opwarming en hoge spanning
Een breedbandtransformator moet op lage frequenties voldoende magnetiseringsinductantie hebben, terwijl lekinductie en parasitaire capaciteit het gedrag op hogere banden niet te sterk mogen verstoren. Meer windingen helpen vaak onder in het bereik, maar voegen draadlengte, capaciteit en verlies toe. Minder windingen kunnen bovenin gunstiger zijn en tegelijk de kern op lagere frequenties zwaarder belasten. Kernmateriaal, afmetingen en wikkelwijze horen dus bij het gekozen frequentiebereik.
Ferriet en wikkeldraad zetten een deel van het zendvermogen om in warmte. Dat merkt een operator vooral bij FT8, RTTY, AM en andere bedrijfssoorten met een hoge inschakelduur; dezelfde piekwaarde bij spraak-SSB is thermisch minder zwaar. Een vermogensaanduiding op de behuizing zegt weinig zonder band, SWR en zendduur. Een compacte transformator kan tijdens lange uitzendingen opwarmen en daardoor zijn aanpassing merkbaar veranderen.
Aan het hoogohmige voedingspunt kan bovendien een forse RF-spanning ontstaan. Bij 100 watt en een zuiver resistieve belasting van 2.500 ohm gaat het theoretisch om ongeveer 500 volt effectief en ruim 700 volt piek. Reactantie en lokale staande golven kunnen de spanning verder verhogen. Wikkelisolatie, aansluitingen, condensatoren en afstand tot de behuizing moeten bij dat elektrische en thermische werk passen.
Lengte, resonantie en multibandgebruik
Een beginlengte bepalen
Voor een dunne, onbedekte HF-draad wordt als praktische beginwaarde vaak 143 gedeeld door de frequentie in megahertz genomen, met de uitkomst in meters. Bij 7,10 MHz komt dat neer op ongeveer 20,1 meter. Geïsoleerde draad kan door de kunststof mantel nog wat korter uitvallen. De uitkomst blijft een schatting, omdat een tuin, zolder of veldopstelling nooit dezelfde elektrische omgeving vormt als vrije ruimte.
Afregelen begint daarom met een draad die iets te lang is. Hang hem in de bedoelde vorm en op de uiteindelijke hoogte, meet de resonantie met een antenne-analyzer en verkort in kleine stappen. Ligt de resonantie te laag, dan is de draad elektrisch te lang. Terugvouwen of oprollen is bruikbaar voor proeven, maar werkt niet exact hetzelfde als afknippen; na iedere verandering hoort een nieuwe meting.
Waarom vier banden mogelijk zijn
Een halve golf op 7,1 MHz bevat op 14,2 MHz twee halve golven, op 21,3 MHz drie en op 28,4 MHz vier. Die frequenties liggen in de 40-, 20-, 15- en 10-meterband. Aan het uiteinde ontstaat bij deze gehele veelvouden opnieuw een hoge impedantie. Een breedbandtransformator kan daardoor meerdere harmonisch verwante banden met dezelfde draad bedienen.
De resonanties vallen niet automatisch op het gewenste punt van iedere band. Eindcapaciteit en verkorting werken op hogere frequenties anders, terwijl de transformator eigen parasitaire eigenschappen heeft. Een draad die op 40 meter fraai staat, kan op 10 meter naast het gewenste werkgebied uitkomen. Ontwerpers corrigeren dat soms met een kleine condensator, spoel of aangepaste draadlengte, maar elke ingreep kan ook een andere band verschuiven.
De banden 30, 17 en 12 meter zijn niet harmonisch verwant aan een klassieke 40-meter-EFHW. Een ingebouwde tuner kan een bescheiden afwijking opvangen, maar maakt geen willekeurige belasting zonder verlies geschikt. Voor zulke banden kan een andere draadlengte, een externe tuner bij het voedingspunt, een trap of een extra element nodig zijn. Multiband betekent hier dus een bepaald stel banden, niet automatisch het hele HF-spectrum.
Een lage SWR vertelt niet het hele verhaal
De staande-golfverhouding, meestal SWR genoemd, laat zien hoe goed de ingang van het antennesysteem bij de transmissielijn past. Een tuner naast de transceiver kan de eindtrap een nette belasting aanbieden, maar verandert de resonantie van de draad niet. Ziet de coax vóór de tuner een sterke misaanpassing, dan blijven de extra kabelverliezen bestaan. Op lage banden kan een dunne draad bovendien maar een beperkt deel van de band goed bestrijken.
Een lage SWR bewijst evenmin dat bijna al het vermogen wordt uitgestraald. Verlies in ferriet, draad, verbindingen of bodem kan een opvallend brede en rustige SWR-curve opleveren, juist omdat energie in warmte verdwijnt. Rendement vraagt om aanvullende controles, zoals temperatuurmeting, invoegverlies, veldsterkte of een vergelijking met een bekende antenne. De meter kan tevreden kijken terwijl het ferriet het druk heeft.
Stralingspatroon en opstellingshoogte
Gedrag op de laagste band
Een rechte, horizontale EFHW heeft op haar laagste resonantiefrequentie ongeveer hetzelfde basispatroon als een halvegolfdipool. De meeste energie gaat loodrecht op de draad weg; in het verlengde ontstaan diepe minima. Eindvoeding levert op zichzelf geen extra antennewinst. Verschillen met een middengevoede dipool komen vooral voort uit transformatorverlies, asymmetrie, hoogte en een coaxmantel die onbedoeld meestraalt.
De bodem verandert vooral de verticale richting waarin het vermogen vertrekt. Een horizontale 40-meterantenne op tien meter hoogte hangt op ongeveer een kwart golflengte en straalt daardoor relatief veel onder hoge hoeken. Dat kan gunstig zijn voor verbindingen over korte en middelgrote afstanden. Voor verre verbindingen via lage opstralingshoeken is doorgaans meer hoogte in golflengten nodig, al blijven terrein en bodemgeleiding meebepalen.
Hogere banden en gebogen vormen
Op hogere harmonischen bevat de draad meer stroommaxima en stroomminima. Het eenvoudige patroon splitst zich op in meerdere lobben en scherpe nullen, zodat een station in de ene richting sterk en in een andere richting zwak kan zijn. Tegelijk ligt dezelfde draad op die band elektrisch hoger boven de grond. De combinatie van hoogte en lobvorming verklaart waarom één EFHW op verschillende banden heel anders kan klinken.
De draad mag horizontaal, schuin, verticaal of als inverted-L worden opgehangen. Ieder segment draagt volgens zijn richting en plaats in de stroomverdeling bij aan het veld. Een verticaal deel kan meer verticaal gepolariseerde straling en lagere hoeken toevoegen, terwijl een laag horizontaal deel hoge hoeken bevordert. Strak teruggevouwen stukken kunnen elkaar gedeeltelijk tegenwerken; ruime bochten zijn meestal vriendelijker voor het stralingspatroon.
Voordelen van een EFHW
Het eindvoedingspunt lost een praktisch ophangprobleem op. De transformator kan laag bij een gevel, mastvoet of draagbaar station blijven, terwijl één boom of lichte uitschuifmast het verre draadeinde draagt. De coax hoeft niet vanuit het midden van de antenne omlaag te hangen. Daardoor blijft de mechanische belasting beperkt en past de antenne vaak in tuinen waar een middengevoede dipool lastig te voeden is.
Voor velddagen, kamperen, POTA en SOTA is dezelfde eenvoud aantrekkelijk. Een ongeveer twintig meter lange uitvoering kan de banden 40, 20, 15 en 10 meter bedienen zonder vier afzonderlijke dipolen op te hangen. Ook een sloper of inverted-L is snel te maken wanneer het terrein niet meewerkt. Die flexibiliteit is het sterkste argument voor de EFHW, mits de elektrische gevolgen van elke nieuwe vorm opnieuw worden gemeten.
Beperkingen en storingsbronnen
Mantelstroom op de coax
In een coaxkabel lopen de gewenste stromen over de kern en de binnenzijde van de afscherming in tegengestelde richting. Stroom over de buitenzijde is een aparte common-modestroom. Bij een EFHW kan die buitenmantel een deel van het retourpad worden en vervolgens zelf stralen. Het stralingspatroon, de impedantie en de ontvangen ruis kunnen daardoor veranderen zodra de kabel wordt verlegd of aangeraakt.
Mantelstroom kan RF naar de shack brengen, audioapparatuur beïnvloeden en storing in digitale verbindingen of huishoudelijke elektronica veroorzaken. De route werkt ook de andere kant op: voedingen, computers, ledlampen en zonnepanelen kunnen via de coaxmantel extra ruis bij de ontvanger brengen. Een geschikte 1:1-common-modechoke remt deze stroom. Zijn plaats en impedantie moeten wel aansluiten bij het gewenste retourpad en alle gebruikte banden.
Counterpoise en choke horen bij elkaar
Voor een counterpoise bestaat geen lengte die overal goed werkt. Sommige ontwerpen beginnen rond 0,05 golflengte, maar transformator, coax, hoogte en omgeving verschuiven het resultaat. Een choke direct bij de transformator stuurt meer retourstroom door een aparte tegendraad. Wordt de choke verderop geplaatst, dan kan het tussenliggende stuk coaxmantel bewust als retourgeleider dienen.
Een aardpen vervangt zo’n RF-retour niet vanzelf. De verbindingsdraad heeft op HF inductie en kan elektrisch lang zijn, terwijl de bodem energie verliest. Beschermingsaarde, bliksembeveiliging en RF-beheersing hebben bovendien verschillende taken. Wie ze zonder samenhang koppelt, kan storingslussen of ongewenste stroomroutes door de woning maken; de installatie moet daarom als geheel volgens de geldende veiligheidsvoorschriften worden ontworpen.
De omgeving blijft meedoen
De hoogste spanning staat bij beide draadeinden, precies waar capacitieve koppeling snel merkbaar wordt. Een muur, dakgoot, metalen regenpijp, nat gebladerte of kabel kan de resonantie al verschuiven. Op zolder spelen isolatiefolie, zonnepanelen en huisinstallaties een nog grotere rol. Een afregeling op de grond of in droog weer hoeft dan ook niet overeen te komen met het gedrag op hoogte of na een regenbui.
Vergelijking met een middengevoede dipool
Een resonante halvegolfdipool wordt in het midden gevoed, waar de impedantie veel dichter bij die van gangbare coax ligt. Vaak volstaat een 1:1-stroomchoke om de symmetrische antenne netjes met ongebalanceerde kabel te verbinden. De transformator met hoge verhouding vervalt, zodat verlies, opwarming en RF-spanning eenvoudiger beheersbaar zijn. Daartegenover staat dat de coax naar het midden moet lopen en daar mechanisch moet worden gedragen.
Bij gelijke draad, hoogte en omgeving heeft een goede EFHW op de laagste band geen verborgen voordeel boven een dipool. Beide ontlenen hun straling aan vrijwel dezelfde stroomverdeling; systeemverliezen en een meestralende voedingslijn veroorzaken de voornaamste verschillen. De dipool is technisch vaak voorspelbaarder, de EFHW mechanisch vaak handiger. De beste keuze volgt dus uit de beschikbare steunpunten, gewenste banden en bereidheid om het hele systeem te meten.
Ontwerp en afregeling in de praktijk
Begin bij het gebruik
Kies eerst de laagste band, de gewenste hogere banden, het zendvermogen en de bedrijfssoort. Voor 40, 20, 15 en 10 meter ligt een draad van ongeveer twintig meter voor de hand; een 80-meteruitvoering wordt ruwweg tweemaal zo lang. Langdurige digitale uitzendingen vragen meer thermische marge dan een QRP-station dat korte CW- of SSB-uitzendingen maakt. Pas daarna komen transformator, draadsoort en opstellingsvorm aan bod.
De beschikbare ruimte bepaalt of de draad recht, als sloper of als inverted-L wordt geplaatst. Een rechte opstelling is het gemakkelijkst te voorspellen, maar vraagt twee passende steunpunten. Een sloper heeft aan één hoog punt genoeg en een inverted-L past beter op een kort perceel. Houd knikken ruim en breng beide spanningsrijke uiteinden zo ver mogelijk van gebouwen, publiek en geleidende delen aan.
Meet het complete antennesysteem
Een losse transformator kan met een hoogohmige, niet-inductieve testweerstand worden gecontroleerd. Bij 49:1 hoort ongeveer 2.450 ohm aan de antennezijde zich aan de coaxzijde als circa 50 ohm te gedragen. Zo’n proef toont alleen het gedrag bij die gekozen weerstand. De echte antenne is frequentieafhankelijk en vaak reactief, zodat draad, counterpoise, coax en choke ook samen in hun definitieve opstelling moeten worden gemeten.
Regel eerst de laagste resonantie af en controleer daarna iedere harmonische afzonderlijk. Verkort de draad met kleine stappen en noteer frequentie, minimum-SWR, bandbreedte, hoogte, coaxlengte en weersomstandigheden. Een correctie voor de hoogste band kan een andere resonantie mee verplaatsen, waardoor meerdere meetronden normaal zijn. De aantekeningen maken later zichtbaar of vocht, corrosie of een veranderd retourpad de oorzaak van een afwijking is.
Een SWR die verschuift wanneer de coax wordt aangeraakt, opgerold of anders gelegd, wijst op merkbare common-modestroom. Hetzelfde geldt wanneer aansluiting van randapparatuur of beschermingsaarde de afstemming verandert. Onderzoek dan het retourpad en de choke, in plaats van alleen de tuner bij te draaien. Vergelijk prestaties zo mogelijk snel met een bekende dipool, want veranderende propagatie kan een langzaam uitgevoerde luisterproef gemakkelijk vertekenen.
Veiligheid
RF-spanning en blootstelling
Beide uiteinden van een resonante halvegolfsdraad kunnen hoge RF-spanning voeren. Plaats transformator, aansluitklem en eindisolator buiten handbereik en houd afstand tot brandbare of geleidende materialen. Raak antenne en voedingslijn nooit aan tijdens het zenden; schakel de zender uit en koppel hem los voordat iets wordt verplaatst. Een kleine stroom aan het uiteinde sluit een pijnlijke RF-brandwond of elektrische doorslag niet uit.
De veilige afstand tot een zendende antenne hangt af van frequentie, gemiddeld vermogen, antennewinst, zendduur en de richting van de sterkste lob. Ook de gebruikte bedrijfssoort telt mee, omdat een langdurige draaggolf een hoger gemiddeld vermogen kan geven dan onderbroken spraak. Beoordeel daarom niet alleen de SWR, maar ook de blootstelling van bewoners, bezoekers en voorbijgangers. De geldende limieten maken daarbij onderscheid tussen elektrische en magnetische veldsterkte en opgenomen vermogen.
Bliksem, statische lading en elektriciteitsleidingen
Een lange buitendraad kan statische lading verzamelen en bij bliksem in de omgeving een gevaarlijke overspanning oppikken. Een gelijkstroompad door een autotransformator kan lading afvoeren als de coaxzijde correct is geaard, maar vormt geen volledige bliksembeveiliging. Gebruik passende overspanningsbeveiliging, bonding en aarding volgens de plaatselijke normen. Ontkoppel en beveilig de voedingslijn wanneer het station buiten gebruik is, zeker bij naderend onweer.
Plaats antennedraad, werplijn of mast nooit waar een bovengrondse elektriciteitsleiding binnen de val- of zwaaicirkel ligt. Reken ook op draadbreuk, natte lijnen, bewegende boomtakken, wind en ijsbelasting. Voorzie de transformator van trekontlasting en gebruik zo nodig een vervangbaar mechanisch breekpunt. Zo bezwijkt bij overbelasting liever een goedkoop onderdeel dan de behuizing, gevel of mast, zonder dat de draad een gevaarlijke leiding kan bereiken.
Conclusie
De EFHW combineert een gunstig geplaatst voedingspunt met bruikbaar multibandgedrag. Een transformator van vaak 49:1 of 64:1 brengt de hoge eindimpedantie naar het bereik van 50-ohmapparatuur, terwijl harmonischen meerdere amateurbanden toegankelijk maken. De antenne past daardoor goed bij beperkte ruimte en tijdelijk gebruik. Haar eenvoud zit vooral in het ophangen, niet in het volledige elektrische systeem.
Een betrouwbare installatie behandelt draad, transformator, counterpoise, coax en choke als één geheel. Daarmee worden mantelstroom, warmte, ruis en onverwachte verschuivingen beter beheersbaar. Meten in de uiteindelijke opstelling blijft nodig, evenals controle onder het werkelijk gebruikte vermogen. Wie ook hoogte, stralingsrichting en veiligheid meeneemt, krijgt een praktische antenne zonder haar eigenschappen groter of kleiner voor te stellen dan ze zijn.
Bronnen en meer informatie
- Balanis, Constantine A. (2016). Antenna Theory: Analysis and Design. 4e editie. Hoboken: Wiley. ISBN 978-1-118-64206-1.
- American Radio Relay League (2023). The ARRL Antenna Book for Radio Communications. 25e editie. Newington, Connecticut: American Radio Relay League. ISBN 978-1-62595-176-2.
- Sevick, Jerry (2001). Transmission Line Transformers. 4e editie. Atlanta: Noble Publishing. ISBN 978-1-884932-18-2.
- Moxon, Les A. (1993). HF Antennas for All Locations. 2e editie. Potters Bar: Radio Society of Great Britain. ISBN 978-1-872309-15-6.
- Silver, H. Ward (2021). Grounding and Bonding for the Radio Amateur. 2e editie. Newington, Connecticut: American Radio Relay League. ISBN 978-1-62595-149-6.
- International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (2020). Guidelines for Limiting Exposure to Electromagnetic Fields (100 kHz to 300 GHz). Health Physics, 118(5), 483-524. DOI 10.1097/HP.0000000000001210.









