Home N en F Radioexamen Spectrumanalyzer voor amateurradio

Spectrumanalyzer voor amateurradio

Spectrumanalyzer met RF-spectrum van een amateurradiosignaal, met zichtbare draaggolf, harmonischen en ongewenste frequentieproducten.
Spectrumanalyzer toont de frequentieverdeling van een amateurradiosignaal met draaggolf, harmonischen en ongewenste producten.

Een spectrumanalyzer toont hoe het vermogen van een radiosignaal over frequenties is verdeeld. Voor de radioamateur worden daarmee harmonischen, mengproducten, sleutelklikken en storingsbronnen zichtbaar. De uitkomst is alleen betrouwbaar wanneer ingangsniveau, bandbreedte en meetopstelling kloppen. Een verkeerde aansluiting kan bovendien de analyzer binnen een ogenblik beschadigen.

Wat meet een spectrumanalyzer?

Een spectrumanalyzer zet frequentie op de horizontale as en vermogen op de verticale as. Daardoor is te zien welke frequentiecomponenten een zender, oscillator of storingsbron voortbrengt en hoe sterk die zijn. Het apparaat laat niet vanzelf zien waar een signaal vandaan komt of waardoor het is ontstaan. De gebruiker moet het patroon verbinden met de schakeling, de modulatie en de gekozen instellingen. Een fraai spoor op het scherm is dus nog geen bewijs van een goede meting.

Swept, FFT en realtime

Een klassieke swept analyzer werkt als een zeer selectieve ontvanger die stap voor stap door een frequentiegebied loopt. Bij elke stap meet hij wat door een smal middenfrequentfilter komt. Een FFT-analyzer neemt een heel frequentieblok tegelijk op en verdeelt dit rekenkundig in kleine frequentievakken. Een realtime analyzer verwerkt zulke blokken vrijwel zonder onderbreking. Die laatste aanpak is geschikt voor korte pulsen, verspringende signalen en storingen die een gewone sweep tussen twee meetmomenten kan missen.

Een software defined radio gebruikt eveneens digitale signaalverwerking en kan een breed stuk spectrum als waterfall vastleggen. Dat maakt een SDR zeer bruikbaar voor ontvangst, digitale modes en langdurig storingsonderzoek. Toch is hij niet automatisch gelijkwaardig aan een gekalibreerde spectrumanalyzer. De absolute amplitude, interne verzwakking, lineariteit en filtering zijn bij een meetinstrument doorgaans nauwkeuriger omschreven. Een SDR kan een overtuigend getal tonen terwijl de eigen ingang al vervormt of de versterking ongemerkt verandert.

Welke instellingen bepalen de meting?

Frequentiebereik en span

Het benodigde frequentiebereik volgt uit de meetvraag, niet uit de grootste waarde op de verkoopdoos. Wie de derde harmonische van 145 MHz wil zien, moet tot minstens 435 MHz kunnen meten. Voor de derde harmonische van 435 MHz is minstens 1.305 MHz nodig. Een analyzer tot 1,5 GHz is daardoor ruim inzetbaar op HF, 50 MHz en 2 meter, maar kan niet iedere hogere harmonische op 70 centimeter weergeven.

De span bepaalt hoeveel spectrum tegelijk in beeld staat. Een grote span is handig om onbekende stoorsignalen of harmonischen op te sporen, maar geeft per schermpunt minder detail. Na zo’n brede verkenning wordt rond ieder verdacht product ingezoomd. Deze tweestapsmethode voorkomt dat een smalle piek onopgemerkt blijft én dat een detailmeting onnodig lang duurt. Centerfrequentie en span horen daarom tijdens één onderzoek verscheidene keren te veranderen.

Resolutiebandbreedte en videobandbreedte

De resolution bandwidth, meestal afgekort tot RBW, bepaalt hoe dicht twee signalen bij elkaar mogen liggen voordat ze samenvloeien. Een smallere RBW scheidt naburige pieken beter en laat minder ruis door het meetfilter. Daar staat een langere meettijd tegenover, vooral bij een swept analyzer. Een brede RBW is geschikt voor een snelle verkenning; een smalle instelling past bij zwakke ongewenste producten, CW-signalen en fijne modulatiestructuren.

Bij ruis heeft een verkleining van de effectieve bandbreedte met een factor tien theoretisch ongeveer 10 dB minder weergegeven ruis tot gevolg. De thermische ruisgrens ligt rond kamertemperatuur in de buurt van min 174 dBm per hertz. Een werkelijke analyzer blijft daarboven door zijn eigen ruisgetal, filtervorm en detector. De opgegeven ruisvloer moet daarom altijd samen worden gelezen met RBW, voorversterkerstand en de vraag of de waarde per hertz geldt.

De video bandwidth, of VBW, werkt na de detectie en maakt het weergegeven spoor rustiger. Hij verbetert de frequentieresolutie niet. Een erg lage VBW kan korte pieken, sleutelklikken of bursts afvlakken, zodat een probleem kleiner lijkt dan het werkelijk is. Voor tijdvariërende signalen is een VBW die gelijk is aan of groter is dan de RBW vaak een bruikbaar beginpunt. Alleen voor het stabiliseren van een ruisachtig spoor kan een lagere instelling nuttig zijn.

Referentieniveau, verzwakking en dynamiek

Het referentieniveau bepaalt welk vermogensniveau bovenaan het scherm staat en beïnvloedt bij veel analyzers de interne verzwakking. Staat dit niveau te laag bij een sterk ingangssignaal, dan kan de eerste mixer of analoog-digitaalomzetter in compressie raken. Het instrument produceert vervolgens zelf harmonischen en mengproducten. Meer interne of externe verzwakking geeft extra ruimte voor sterke signalen, maar verhoogt tegelijk de naar de ingang teruggerekende ruisvloer.

Dynamisch bereik is geen enkel universeel getal. Ver van een draaggolf kan het displayed average noise level de grens bepalen, terwijl vlak naast die draaggolf de faseruis van de lokale oscillator overheerst. Bij sterke signalen vormen compressie en interne intermodulatie een andere beperking. Een analyzer die een zwak signaal in een lege band goed ziet, hoeft dus niet automatisch een klein product naast een krachtige draaggolf betrouwbaar te meten.

Faseruis verschijnt als brede flanken rond een sterke draaggolf. Die flanken kunnen uit de zender komen, maar ook uit de analyzer zelf. Een meting van synthesizerruis, sleutelklikken of een nabije spur vraagt daarom om goede prestaties op de relevante afstand tot de draaggolf. De gewone verre ruisvloer zegt daar weinig over. Verandert het beeld sterk wanneer het ingangsniveau wordt verlaagd, dan kan het meetinstrument mede de oorzaak zijn.

Sweeptijd en zero span

Een smal RBW-filter heeft tijd nodig om na iedere frequentiestap tot rust te komen. Wie de sweeptijd handmatig te kort maakt, kan pieken onderschatten of vervormen. In de automatische stand berekent de analyzer meestal een passende tijd. Bij zero span stopt de frequentiesweep en wordt vermogen als functie van de tijd getoond. Daarmee zijn het opkomen van een zender, CW-sleutelovergangen en bursts te onderzoeken, mits de RBW breed genoeg is om het volledige signaal door te laten.

Hoe sluit u een zender veilig aan?

Een transceiver mag niet rechtstreeks op de RF-ingang van een spectrumanalyzer of SDR worden aangesloten. Een zender van 100 watt levert ongeveer plus 50 dBm, terwijl veel meetontvangers rond 0 dBm of zelfs lager hun veilige grens bereiken. Interne verzwakking is geen vervanging voor een veilige externe meetketen. Controleer voor iedere aansluiting de absolute ingangslimiet in de handleiding van het eigen instrument.

De gebruikelijke opstelling begint bij de zender en loopt via een directionele coupler naar een 50 ohm dummyload die het volledige zendvermogen verwerkt. Alleen de meetpoort van de coupler gaat via een vaste externe attenuator naar de analyzer. Een passend DC-block beschermt tegen gelijkspanning uit een bias-T, transverter of bedradingsfout. De voorversterker van de analyzer blijft uit totdat vaststaat dat er nergens een sterk signaal aanwezig is.

Een rekenvoorbeeld laat de veiligheidsmarge zien. Honderd watt komt overeen met plus 50 dBm. Een coupler die 40 dB verzwakt en een extra pad van 20 dB brengen het theoretische niveau aan de analyzer terug tot ongeveer min 10 dBm, nog vóór kabelverlies. Dat is voor veel instrumenten een werkbaar beginpunt, maar geen algemene garantie. Coupler, pad, kabel en connectoren moeten allemaal voor het vermogen en de gebruikte frequenties geschikt zijn.

De dummyload moet niet alleen het piekvermogen aankunnen, maar ook de bedrijfsduur en duty cycle. Een korte CW-test belast hem anders dan een lange digitale uitzending op vol vermogen. Goede SMA- en N-connectoren beperken mismatch op VHF en UHF, al kan iedere extra adapter meetfouten toevoegen. Behandel kleine RF-ingangen bovendien als ESD-gevoelige componenten: zet de zender uit, bouw eerst de volledige keten op en begin de meting op het laagste bruikbare zendvermogen.

Hoe wordt een meting herhaalbaar?

Voorbereiding en referentie

Een analyzer heeft tijd nodig om thermisch te stabiliseren, vooral wanneer absolute frequentie of amplitude telt. Voer daarna de interne kalibratie of afregeling uit volgens de handleiding. Sluit een goede 50 ohm afsluiting aan en leg met dezelfde RBW, VBW, verzwakking en voorversterkerstand de ruisbaseline vast. Deze controle onthult interne stoorsignalen en maakt later zichtbaar of een gemeten lijn werkelijk samenhangt met het aangesloten apparaat.

Interne kalibratie corrigeert de externe meetketen niet. Het verlies van kabels, attenuators, adapters en coupler verandert met de frequentie. Een coupler kan op de grondfrequentie 40 dB koppeldemping hebben en bij de derde harmonische enkele decibellen afwijken. Wie overal dezelfde correctie gebruikt, beoordeelt de zender te gunstig of te ongunstig. Leg het verlies daarom vast op iedere frequentie waarop een resultaat wordt gerapporteerd.

Een meting via kabel beantwoordt een andere vraag dan een meting met een antenne. De eerste laat zien wat aan de zenderuitgang verschijnt; de tweede laat zien wat op één plaats in de ruimte wordt ontvangen. Bij een antennemeting beïnvloeden afstand, polarisatie, reflecties, antennefactor en kabelverlies de amplitude. Voor storingszoeken is dat geen bezwaar zolang de opstelling gelijk blijft, maar zonder gekalibreerde geometrie is het resultaat vooral geschikt voor vergelijking.

De extra-attenuatietest

Een eenvoudige proef helpt om echte zenderproducten van analyzerfouten te scheiden. Meet een verdachte piek, voeg vervolgens 10 dB externe verzwakking toe en herhaal zonder het zendvermogen te veranderen. Na correctie voor die 10 dB hoort een echt product vrijwel op hetzelfde niveau uit te komen. Verdwijnt de piek of verandert hij veel sterker, dan is hij waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk in de ingang van het meetinstrument ontstaan.

Deze proef werkt omdat interne vervormingsproducten niet altijd evenredig met het ingangssignaal afnemen. Derdeorde-intermodulatie kan bij een kleine niveaudaling veel sterker teruglopen dan de gewenste draaggolf. Herhaal bij twijfel met nog een ingangsniveau en schakel het onderzochte apparaat ook volledig uit. Geen enkele afzonderlijke test bewijst de herkomst onfeilbaar, maar samen leveren deze controles een veel betrouwbaarder oordeel dan één schermopname.

Meetonzekerheid en verslaglegging

Een meetresultaat bestaat uit meer dan de markerwaarde. De amplitudenauwkeurigheid van de analyzer, de kalibratie van de coupler, het verlies van de attenuator, kabelverzwakking en mismatch dragen allemaal bij aan de onzekerheid. Sommige bijdragen zijn gemeenschappelijk en vallen bij een relatieve meting deels weg; andere veranderen juist met de frequentie. Een verschil van een halve decibel is niet overtuigend wanneer de externe meetketen zelf een onzekerheid van meerdere decibellen heeft.

Noteer bij iedere opname centerfrequentie, span, RBW, VBW, detector, tracefunctie, interne verzwakking, voorversterkerstand en externe correctie. Vermeld ook zendvermogen, modulatie, meetduur, dummyload en gebruikte coupler. Bewaar naast de basiscomponent een breed overzicht, ingezoomde opnamen van verdachte producten en de herhaling met extra verzwakking. Zo kan een andere amateur de redenering controleren en kan dezelfde opstelling na een reparatie of modificatie opnieuw worden gebruikt.

Welke meetmethode past bij het signaal?

Harmonischen en ongewenste producten

Een harmonischenmeting begint met een brede sweep en voldoende externe verzwakking. Gebruik peakdetectie en eventueel max hold wanneer het signaal varieert. Zoom daarna afzonderlijk in op iedere gevonden piek, verklein de RBW en pas de frequentieafhankelijke verliezen van de meetketen toe. Herhaal de meting met 10 dB extra externe verzwakking. Een hoogdoorlaat- of notchfilter vóór de analyzer kan de basiscomponent onderdrukken wanneer die het meten van een veel zwakkere hogere harmonische belemmert.

Voor een zender op 14,2 MHz liggen de tweede en derde harmonische op 28,4 en 42,6 MHz. Bij 145 MHz verschijnen ze op 290 en 435 MHz; bij 435 MHz op 870 en 1.305 MHz. Deze eenvoudige veelvouden helpen bij het plannen van het frequentiebereik, maar een piek op de verwachte plaats is nog geen sluitend bewijs. Vergelijk de toestand met de zender aan en uit en voer de extra-attenuatietest uit.

CW en SSB

Voor een stabiele CW-draaggolf is een span van enkele kilohertz met een RBW van 10 tot 100 Hz een bruikbaar beginpunt, voor zover het instrument dat ondersteunt. Sleutelklikken vragen om een ruimere span, bijvoorbeeld 10 tot 50 kHz, max hold en een VBW die niet lager staat dan de RBW. Sleutel met de normale seinsnelheid. Een extreem glad spoor kan ontstaan doordat de videofilter juist de korte overgangen wegpoetst.

Een SSB-tweetonentest maakt niet-lineair gedrag van de zendketen zichtbaar. Twee audiotonen binnen de normale doorlaatband leveren twee RF-tonen op; derdeordeproducten verschijnen aan weerszijden daarvan. Houd compressor, ALC en audioversterking in een bekende stand en meet op verscheidene uitgangsvermogens. Vermeld of het niveau van een mengproduct wordt vergeleken met één afzonderlijke toon of met het totale piekvermogen. Zonder die afspraak zijn gepubliceerde IMD-waarden niet goed vergelijkbaar.

Echte spraak belast de keten anders dan twee vaste tonen. Compressor, equalizer, clipping, DSP en ALC reageren op de wisselende omhullende en kunnen brede schouders buiten het gewenste SSB-kanaal veroorzaken. Neem daarom twintig tot zestig seconden representatieve spraak op met peakdetectie of max hold. Maak desgewenst een tweede opname zonder compressor, maar houd microfoonafstand en versterking gelijk. Ook hier blijft de niveautest nodig, omdat analyzercompressie op splatter kan lijken.

FM

Een FM-meting vraagt om een vaste audiotesttoon en de normale ingestelde deviatie. De benadering van Carson schat de bezette bandbreedte als tweemaal de som van piekdeviatie en hoogste modulatiefrequentie. Bij 5 kHz deviatie en 3 kHz audio komt dat uit op ongeveer 16 kHz. Voor een eerste spectrumbeeld zijn een span van 50 tot 100 kHz en een RBW tussen 300 Hz en 1 kHz vaak bruikbaar. Voor de deviatie zelf is een gekalibreerde FM-demodulatiefunctie geschikter.

FT8 en andere digitale modes

FT8 gebruikt acht tonen, een seinsnelheid van 6,25 baud en een bezette bandbreedte van ongeveer 50 Hz. Een analyzer met een kleinste RBW van 200 Hz kan de aanwezigheid en grove splatter tonen, maar lost de afzonderlijke tonen niet goed op. Voor de interne structuur is een FFT-weergave met frequentievakken van enkele hertz geschikter. De gebruikte resolutie moet altijd aansluiten op toonafstand, symboolsnelheid en het doel van de meting.

Zet automatische versterkingsregeling bij vergelijkende digitale metingen bij voorkeur uit. Leg zowel de gewenste signaalband als enkele kilohertz daarbuiten vast en varieer de audio-aansturing gecontroleerd. Te veel drive kan clipping of ALC-werking veroorzaken, wat als brede schouders rond het signaal verschijnt. Een constante omhullende in het protocol voorkomt niet dat een verkeerd aangestuurde audioketen of eindtrap ongewenste producten maakt. Lange digitale uitzendingen vragen tevens extra aandacht voor de belasting van eindtrap en dummyload.

Storing zoeken

Voor radiofrequente storing is een SDR met waterfall vaak doeltreffender dan een langzame swept analyzer. Een waterfall toont wanneer de storing optreedt, hoe vaak zij terugkeert en of het patroon met het elektriciteitsnet of een schakelende voeding samenhangt. Zet de versterking vast, noteer de beginopstelling en schakel verdachte apparaten één voor één uit. Een patroon om de 100 kHz kan een aanwijzing zijn, maar alleen een herhaalbare aan-uitproef koppelt het aan een fysieke bron.

Na de brede observatie helpen elektrische en magnetische near-fieldprobes om de bron op een printplaat, kabel of voeding te lokaliseren. Verlaag de versterking naarmate de probe dichter bij het verdachte onderdeel komt. Let op dat een analyzer met antenne ook zonder kabelverbinding door een nabijgelegen zender kan worden overbelast. Bij hoog vermogen moet het meetinstrument voldoende worden afgezwakt, afgeschermd of losgekoppeld voordat de zendknop wordt bediend.

Welke meetfouten komen vaak voor?

Overbelasting verraadt zich vaak door een ruisvloer die meebeweegt met de draaggolf, een plotseling bos extra lijnen of een basiscomponent die niet evenredig stijgt met het aangelegde niveau. Schakel eerst de voorversterker uit en voeg externe verzwakking toe. Een passend banddoorlaat-, hoogdoorlaat- of notchfilter kan sterke signalen buiten het onderzochte gebied tegenhouden. Verdwijnt het probleem daarmee, dan lag de oorzaak vermoedelijk in de meetontvanger en niet in de zender.

Een te brede RBW laat naburige signalen samenvloeien en neemt meer ruis mee. Een te smalle RBW kan een sweep zeer traag maken, korte bursts missen of een tijdsignaal in zero span vervormen. Een lage VBW maakt het scherm rustig, maar kan pieken verbergen. Verander daarom bij een onverwacht resultaat telkens één instelling en kijk of amplitude, vorm en ruisvloer zich gedragen zoals de theorie voorspelt.

SDR’s voegen eigen valkuilen toe. Een vaste piek in het midden kan een gelijkspanningsartefact van een zero-IF-ontvanger zijn; verplaats de afstemfrequentie om dit te testen. Onbalans tussen de I- en Q-kanalen kan spiegelbeelden veroorzaken. Automatische gainregeling verandert de schaal tijdens de opname, terwijl een USB-kabel of computer zelf storing kan uitstralen. Een waterfall is hierdoor uitstekend voor patroonherkenning, maar een weergegeven dBm-waarde is pas een meting na kalibratie van de volledige keten.

Brede flanken rond een draaggolf worden soms te snel aan de zender toegeschreven. Verlaag het niveau aan de analyzer zonder de werking van de zender te veranderen en vergelijk de vorm opnieuw. Worden de flanken na correctie veel lager, dan keek u mogelijk naar de faseruis of compressie van het instrument. Blijven zij gelijk, dan wijst dat sterker naar het onderzochte apparaat. Een tweede meetontvanger met betere bekende faseruis kan bij twijfel uitsluitsel geven.

Welke instrumentklasse past bij de toepassing?

Voor betrouwbare metingen aan zenderuitgangen heeft een echte spectrumanalyzer voordelen: gekarakteriseerde attenuators, bekende RBW-filters, markerfuncties en beschreven grenzen voor ruis, compressie en faseruis. Een SDR blinkt uit in brede, langdurige waarneming, zwakke ontvangst en digitale analyse. Voor veel shackwerk vullen beide apparaten elkaar aan. De analyzer beoordeelt de spectrale zuiverheid via een kabel; de SDR bewaakt een band in de tijd en helpt een storing opsporen.

Het frequentiebereik moet passen bij de hoogste harmonische die werkelijk van belang is. Voor HF en VHF volstaat vaak minder bereik dan gedacht, terwijl onderzoek op 70 centimeter of 23 centimeter snel boven 1,5 GHz uitkomt. Kijk daarnaast naar minimale RBW, faseruis, ingangslimiet en beschikbaarheid van gekalibreerde verzwakking. Veel gigahertz op het scherm compenseren geen matige lineariteit of een te brede kleinste RBW.

Realtime verwerking is vooral nuttig voor korte of zeldzame gebeurtenissen die een gewone sweep kan missen. Voor filters, kabels en duplexers is een tracking generator handig, al meet een vector network analyzer ook fase en reflectie en is die daarvoor vaak geschikter. Bepaal dus eerst of het werk draait om uitgezonden spectrum, tijdgedrag, zwakke ontvangst of netwerkparameters. Eén apparaat kan meerdere functies combineren, maar iedere functie houdt haar eigen grenzen.

Reserveer bij de aanschaf ook ruimte voor de meetketen. Vaste attenuators, een geschikte directionele coupler, een degelijke dummyload, korte goede kabels, een DC-block en passende afsluitingen bepalen de veiligheid en de geloofwaardigheid van het resultaat. Bij ouder laboratoriumapparatuur verdienen interne attenuators, referentieoscillator, voorselector en kalibratiestatus extra aandacht. Een eenvoudig instrument in een gekarakteriseerde opstelling kan betrouwbaarder meten dan een kostbaar apparaat dat verkeerd wordt belast.

Praktische routine in de shack

Een vaste volgorde verkleint de kans op schade en maakt resultaten onderling vergelijkbaar. Verander tijdens de diagnose steeds maar één grootheid, zodat duidelijk blijft waardoor het schermbeeld verandert. De volgende routine past bij de meeste metingen via een kabel. Voor antenne- en storingsmetingen worden daarnaast positie, afstand, polarisatie en versterkingsstand vastgelegd.

  1. Bepaal vooraf de grondfrequentie, het zendvermogen, de modulatie en de hoogste frequentie die u wilt controleren.
  2. Controleer de absolute ingangslimiet van het instrument en sluit mogelijke gelijkspanning uit.
  3. Verbind zender, directionele coupler en geschikte 50 ohm dummyload voordat de analyzer wordt aangesloten.
  4. Plaats een berekende externe attenuator en zo nodig een DC-block tussen meetpoort en analyzer.
  5. Schakel de voorversterker uit, kies een veilig referentieniveau en leg met een 50 ohm afsluiting de baseline vast.
  6. Begin met laag zendvermogen en controleer of de basiscomponent ver onder de ingangslimiet blijft.
  7. Maak eerst een brede verkenning en zoom daarna op ieder verdacht product in met een passende RBW en VBW.
  8. Herhaal verdachte metingen met 10 dB extra externe verzwakking en laat het zendvermogen ongewijzigd.
  9. Corrigeer kabel-, pad- en couplerverlies afzonderlijk op iedere gemeten frequentie.
  10. Bewaar alle instellingen, correcties en omstandigheden samen met de meetopnamen.

Conclusie

Spectrumanalyse bij amateurradio draait minder om het grootste frequentiebereik dan om beheersing van de volledige meetketen. Een directionele coupler, dummyload en externe verzwakking beschermen de ingang en houden de analyzer buiten compressie. Passende RBW, VBW en sweeptijd bepalen vervolgens wat zichtbaar blijft. Kalibratie van kabels en koppelpaden voorkomt dat een harmonische enkele decibellen mooier of slechter wordt voorgesteld dan zij aan de zenderuitgang werkelijk is.

De sterkste controle blijft eenvoudig: verander het niveau aan de meetontvanger, niet aan de zender, en kijk of een verdacht product na correctie gelijk blijft. Combineer dat met een ruisbaseline, een meting met de zender uit en volledige verslaglegging. Zo verandert een spectrumplaatje van een aardige afbeelding in een technisch bruikbaar resultaat dat later kan worden herhaald en door anderen kan worden beoordeeld.

Bronnen en meer informatie

  1. Witte, Robert A. (2001). Spectrum and Network Measurements. Institution of Engineering and Technology. ISBN 978-1-884932-16-8.
  2. Hayward, Wes, Rick Campbell en Bob Larkin (2003). Experimental Methods in RF Design. American Radio Relay League. ISBN 978-0-87259-879-9.
  3. Pozar, David M. (2011). Microwave Engineering. Fourth Edition. John Wiley & Sons. ISBN 978-0-470-63155-3.
  4. Taylor, Barry N. en Chris E. Kuyatt (1994). Guidelines for Evaluating and Expressing the Uncertainty of NIST Measurement Results. National Institute of Standards and Technology. DOI 10.6028/NIST.TN.1297.
  5. Franke, Steve, Bill Somerville en Joe Taylor (2020). The FT4 and FT8 Communication Protocols. QEX: A Forum for Communications Experimenters. American Radio Relay League. ISSN 0886-8093.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in