Home Ontvangers Software Defined Radio en SDR-ontvangers

Software Defined Radio en SDR-ontvangers

SDR-ontvanger die radiosignalen digitaliseert en via software een spectrum, waterval en ontvangen signalen weergeeft
Een SDR zet ontvangen radiosignalen om in digitale gegevens die met software kunnen worden afgestemd, gefilterd en gedemoduleerd.

Een SDR-ontvanger verwerkt radiosignalen grotendeels met software in plaats van met vaste elektronische schakelingen. Een antenne en analoge ingang leveren het signaal aan een analoog-digitaalomzetter. De computer selecteert daarna frequenties, onderdrukt ongewenste signalen en haalt geluid of gegevens uit de metingen. Die flexibiliteit blijft begrensd door de gebruikte hardware.

Wat maakt een radio softwaregedefinieerd?

Bij een klassieke radio bepalen elektronische schakelingen hoe een station wordt geselecteerd, gefilterd en hoorbaar gemaakt. In een software-defined radio, afgekort SDR, wordt een deel van die schakelingen vervangen door berekeningen. Een ander ontvangstfilter kiezen betekent dan niet dat er een component moet worden omgeschakeld of vervangen: het programma verwerkt de meetwaarden anders. Dezelfde hardware kan daardoor uiteenlopende soorten radiosignalen ontvangen.

Alleen bediening via een computer maakt een radio nog geen SDR. Een programma kan immers ook de knoppen van een verder analoge ontvanger bedienen. Het verschil zit in de verwerking van het signaal zelf. Bij een SDR zijn functies zoals kanaalfiltering en demodulatie programmeerbaar; demodulatie is de bewerking waarmee de ontvanger de uitgezonden informatie terughaalt.

Dat rekenwerk hoeft niet allemaal op een gewone computer te gebeuren. Een ontvanger kan ook een ingebouwde processor of programmeerbare logische chip gebruiken, bijvoorbeeld een FPGA. Zo’n chip verwerkt grote hoeveelheden meetwaarden voordat een kleiner frequentievenster naar de computer gaat. Een SDR kan dus een USB-kastje naast een laptop zijn, maar ook een zelfstandig toestel met een scherm, luidspreker en draaiknoppen.

Joseph Mitola beschreef het software-radio-concept begin jaren negentig in invloedrijke technische publicaties. Het idee bouwde voort op eerdere digitale ontvangers en op de behoefte om verschillende communicatiesystemen met herbruikbare elektronica te ondersteunen. Snellere omzetters en meer rekenkracht maakten geleidelijk bredere toepassingen mogelijk. Voor radioamateurs werd de techniek bereikbaar via geluidskaarten, zelfbouwschakelingen en later compacte USB-ontvangers.

Van antenne naar digitale meetwaarden

De analoge ingang blijft nodig

Een antenne levert geen afzonderlijk station af, maar een mengsel van radiosignalen en ruis. Daar kunnen zwakke zenders tussen zitten, naast krachtige omroepstations en storing van elektrische apparatuur in de omgeving. Het eerste deel van de ontvanger moet dat mengsel verwerken zonder het ongewenst te vervormen. Dit analoge ingangsgedeelte wordt meestal het RF-front-end genoemd, waarbij RF voor radiofrequentie staat.

Filters vóór de digitalisering weren frequenties die niet nodig zijn. Een banddoorlaatfilter kan bijvoorbeeld één radioband doorlaten en andere gebieden verzwakken. Dat is iets anders dan het smalle luisterfilter dat later op het scherm wordt ingesteld. Het analoge filter beschermt de elektronica tegen ongewenste energie; het digitale filter selecteert het gewenste kanaal uit meetwaarden die al zijn vastgelegd.

Een versterker kan zwakke signalen beter boven de ruis van latere elektronica brengen. Meer versterking helpt echter niet onbeperkt. Wordt een trap overstuurd, dan ontstaan vervorming en soms schijnsignalen op frequenties waar geen echte zender zit. Ook de omzetter kan zijn maximale ingangsniveau overschrijden. Een verzwakker of een beter ingangsfilter kan de ontvangst dan juist verbeteren, hoewel het totale signaalniveau daalt.

Mengen en bemonsteren

Veel SDR’s brengen het gekozen radiofrequentiegebied eerst naar een lagere frequentie. Een mengschakeling combineert het antennesignaal met een lokaal opgewekte trilling, de lokale oscillator. Daarbij ontstaan onder meer verschilfrequenties die gemakkelijker te digitaliseren zijn. De informatie blijft behouden, terwijl de elektronische eisen veranderen: een lagere frequentie is doorgaans eenvoudiger nauwkeurig te bemonsteren dan een veel hogere.

De analoog-digitaalomzetter, meestal ADC genoemd, meet de spanning op snel opeenvolgende tijdstippen. Iedere meting wordt als een getal opgeslagen; zo’n meetwaarde heet een sample of monster. De bemonsteringsfrequentie geeft aan hoeveel metingen per seconde worden verricht. Vanaf dit punt kan digitale signaalverwerking de frequentie verschuiven, ongewenste onderdelen onderdrukken en het gewenste signaal verder ontleden.

Verschillende ontwerpen, dezelfde gedachte

Ontvangst via een geluidskaart

Een eenvoudige SDR kan het antennesignaal met een analoge schakeling naar twee laagfrequente signalen omzetten. De linker- en rechteringang van een stereogeluidskaart digitaliseren die afzonderlijk. Daarna neemt de computer het over. Zo wordt een apparaat dat normaal geluid opneemt een onderdeel van een radio-ontvanger, al blijven de beschikbare bandbreedte en de gelijkheid van beide audiokanalen beperkende factoren.

Directe conversie en middenfrequentie

Bij directe conversie wordt het gekozen frequentiegebied meteen naar het gebied rond nul hertz verplaatst. Een andere mogelijkheid is een lage of hogere middenfrequentie: een tussenstap waarop de ADC het signaal vastlegt. Die ontwerpen hebben verschillende voor- en nadelen. Directe conversie kan compact zijn, maar kleine elektrische offsets en ongelijkheden tussen de signaalpaden kunnen een middenpiek of spiegelbeelden veroorzaken.

Rechtstreekse RF-bemonstering

Een direct-samplingontvanger digitaliseert het radiofrequente signaal zonder voorafgaande analoge mengtrap. De eerste frequentieverschuiving gebeurt dan met digitale berekeningen. Dat maakt brede ontvangst en meerdere gelijktijdige kanalen mogelijk, maar stelt hoge eisen aan omzetter, klok en filtering. Rechtstreeks bemonsteren betekent dus niet dat de antenne zonder verdere elektronica aan een digitale chip wordt gekoppeld; de analoge signaalvoorbereiding blijft bestaan.

Waarom een SDR I en Q gebruikt

Veel SDR-programma’s ontvangen twee samenhangende reeksen getallen: I en Q. Deze beschrijven het signaal ten opzichte van twee referentietrillingen die een kwart periode, oftewel negentig graden, van elkaar verschillen. Ze kunnen ontstaan in analoge mengschakelingen of worden berekend uit een eerder gedigitaliseerd signaal. Het zijn geen twee radiostations. Ook zijn het geen stereokanalen in de gebruikelijke betekenis.

I en Q zijn te vergelijken met de horizontale en verticale coördinaat van een bewegend punt. Samen maken zij een handige beschrijving mogelijk van de amplitude en fase van het ontvangen signaal. Daarmee kan software frequenties boven en onder de ingestelde middenfrequentie uit elkaar houden. Dat helpt onder meer bij enkelzijbandontvangst en bij digitale modulaties waarin informatie in amplitude en fase is verwerkt.

De twee paden moeten wel goed bij elkaar passen. Een verschil in versterking of fase kan ervoor zorgen dat een sterk signaal ook als zwakkere spiegel aan de andere kant van het scherm verschijnt. Kalibratie kan zulke afwijkingen verminderen. Een piek precies in het midden kan eveneens uit de ontvanger zelf komen, bijvoorbeeld door een elektrische offset, en hoeft dus geen zender te zijn.

Bemonsteringsfrequentie is niet hetzelfde als afstembereik

Een ontvanger kan over een groot frequentiegebied afstembaar zijn en toch maar een klein deel daarvan tegelijk verwerken. Het afstembereik vertelt waar de ontvanger kan luisteren; de momentane bandbreedte vertelt hoeveel spectrum op hetzelfde moment beschikbaar is. Binnen dat venster kan software verschillende kanalen selecteren. Voor een station daarbuiten moet het venster worden verschoven, bijvoorbeeld door de tuner anders in te stellen.

Hoe breed dat venster mag zijn, hangt samen met de bemonstering. Voor een reëel signaal dat vanaf nul tot een bepaalde hoogste frequentie loopt, moet de bemonsteringsfrequentie hoger liggen dan tweemaal die bovengrens. Een stroom I/Q-paren werkt anders: twee miljoen paren per seconde kunnen theoretisch ongeveer twee megahertz totale bandbreedte vertegenwoordigen. In de praktijk is extra ruimte nodig voor de overgangsgebieden van filters.

Onvoldoende filtering kan aliasing veroorzaken: verschillende frequenties krijgen na het bemonsteren dezelfde digitale voorstelling. Een ongewenst signaal verschijnt dan op een andere plaats in het spectrum en kan over het gewenste signaal heen vallen. Daarom hoort vóór de ADC een passend analoog filter. Sommige ontvangers gebruiken deze frequentieverplaatsing bewust, met zorgvuldig gekozen banden en filters; dat heet bandpassampling en is iets anders dan ongecontroleerd te langzaam meten.

Hoe software er geluid van maakt

Afstemmen, filteren en demoduleren

Digitaal afstemmen begint vaak met het verschuiven van het gewenste frequentiegebied naar nul. Een berekende referentietrilling doet daarbij het werk van een lokale oscillator. Een digitaal filter laat daarna alleen het gekozen kanaal door. Omdat dit kanaal veel smaller kan zijn dan het oorspronkelijke ontvangstvenster, kan het aantal monsters per seconde worden verminderd; die stap heet decimatie.

Daarna hangt de verwerking af van de gebruikte modulatie. Bij AM volgt de ontvanger de veranderingen in de omhullende van het signaal; bij FM haalt hij informatie uit de frequentievariaties. Voor enkelzijband, of SSB, wordt de gekozen zijband teruggebracht naar hoorbare audio. Een digitale uitzending vraagt meestal nog aanvullende stappen, zoals synchronisatie, het herkennen van symbolen en het herstellen van bepaalde transmissiefouten.

De filterbreedte hoort bij het ontvangen signaal te passen. Een breed filter laat onnodig veel ruis en naburige stations binnen, terwijl een te smal filter delen van spraak of gegevens wegneemt. Voor een morsesignaal kan een smaller kanaal bruikbaar zijn dan voor spraak, en omroep-FM vraagt weer veel meer ruimte. Een filter verandert daarmee niet alleen het geluid, maar ook welke informatie overblijft.

Ook zenden vraagt hardware

Het SDR-principe kan eveneens voor zenders worden gebruikt: software berekent dan de gewenste modulatie. Een digitaal-analoogomzetter maakt er een elektrisch signaal van, waarna verdere elektronica het op de juiste frequentie en het benodigde vermogen brengt. Filters moeten ongewenste uitzendingen beperken. Een gewone ontvangstdongle krijgt door andere software dus niet ineens een zendfunctie; daarvoor ontbreekt de noodzakelijke hardware.

Wat het spectrum en de waterval laten zien

Een SDR laat naast geluid vaak een spectrum zien: een grafiek van de signaalsterkte tegen de frequentie. Daarvoor worden opeenvolgende blokken meetwaarden met een Fourierberekening ontleed, meestal via een snelle methode die FFT heet. De waterval plaatst zulke spectra achter elkaar in de tijd. De kleur geeft het niveau weer, zodat ook korte uitzendingen en langzaam verschuivende signalen zichtbaar worden.

Die weergave is nuttig, maar geen onbewerkte foto van de ether. De lengte van de geanalyseerde blokken, middeling en andere instellingen beïnvloeden hoeveel detail zichtbaar is. Langer waarnemen kan dicht bij elkaar liggende frequenties beter onderscheiden, maar maakt het moeilijker snelle veranderingen afzonderlijk te volgen. Ook kan de getoonde ruisvloer verschuiven wanneer de software de frequentievakken smaller maakt.

Een lagere lijn op het scherm bewijst daarom niet automatisch dat de ontvanger minder ruis produceert. Evenmin is iedere schaalverdeling een nauwkeurige meting van het vermogen aan de antenne-ingang. Veel programma’s tonen niveaus ten opzichte van het maximale digitale bereik. Voor betrouwbare absolute metingen zijn kalibratie en bekende instellingen nodig; een SDR is niet vanzelf een gekalibreerde spectrumanalysator.

RTL-SDR: een televisiestick met een tweede toepassing

RTL-SDR ontstond doordat USB-ontvangers voor digitale televisie anders konden worden gebruikt dan waarvoor ze waren ontworpen. Bij exemplaren met de Realtek RTL2832U-chip bleek het mogelijk ruwe signaalgegevens uit te lezen. Met onder meer de stuurprogramma’s van het Osmocom-project werd dat een algemeen bruikbare ontvangstmethode. De computer hoefde zich niet langer te beperken tot het verwerken van televisiesignalen.

Zo’n ontvanger combineert gewoonlijk een tuner met digitalisering en gegevensoverdracht via USB. Het frequentiebereik hangt af van de tuner en de verdere uitvoering; kortegolfontvangst is niet bij ieder exemplaar op dezelfde manier geregeld. Kenmerkend voor de klassieke RTL2832U-opzet is de uitvoer van achtbits I- en Q-waarden. Dat houdt de gegevensstroom betrekkelijk klein, maar beperkt de mogelijkheden naast zeer sterke signalen.

De vaak genoemde bandbreedte van ongeveer drie megahertz vraagt enige voorzichtigheid. Voor veel klassieke configuraties is ongeveer 2,4 miljoen I/Q-paren per seconde een bruikbare instelling; hogere snelheden kunnen tot verloren monsters leiden. De werkelijk bruikbare bandbreedte is bovendien kleiner dan het theoretische venster door de filterranden. Het gaat dus niet om een vaste eigenschap die voor iedere dongle en iedere computer hetzelfde uitpakt.

WebSDR: samen luisteren, onafhankelijk afstemmen

Bij WebSDR staat de ontvanger niet op het eigen bureau, maar ergens anders aan een antenne. Een server maakt de ontvangen signalen toegankelijk via een browser. Anders dan bij een eenvoudige geluidsstream kunnen meerdere gebruikers onafhankelijk binnen de aangeboden banden afstemmen. Zij delen de fysieke ontvanger, maar hoeven niet naar hetzelfde station of dezelfde modulatie te luisteren.

Het project van Pieter-Tjerk de Boer ontstond vanuit het plan om de radiotelescoop in Dwingeloo voor ontvangst van via de maan teruggekaatste amateursignalen beschikbaar te maken. Voor proeven werd op kerstavond 2007 een kortegolfontvanger bij de radioclub van de Universiteit Twente aangesloten. De openbare aankondiging volgde in april 2008. Dat onderscheid tussen de eerste proef en de publieke start verklaart de twee jaartallen.

Een ontvanger op afstand helpt ook om ontvangstverschillen te onderzoeken. Is een station elders goed hoorbaar maar thuis nauwelijks, dan kunnen antenne, plaatselijke storing of de verspreiding van radiogolven een rol spelen. Zo’n vergelijking geeft aanwijzingen, geen sluitende diagnose. De twee locaties luisteren immers met verschillende antennes en ontvangers, en de radiosignalen hebben naar iedere plaats een andere weg afgelegd.

Meer dan luisteren: meteoren en herhaalbare metingen

SDR maakt ook verschijnselen meetbaar die niet als radio-uitzending bedoeld zijn. Wanneer een meteoroïde de atmosfeer binnendringt, ontstaat geïoniseerd gas met vrije elektronen die radiogolven kunnen verstrooien. Een geschikte ontvanger kan daardoor tijdelijk signalen opvangen die via dat spoor zijn omgeleid. Bij onderzoek met de Franse GRAVES-radar worden zulke echo’s gebruikt om meteorverschijnselen te volgen, ook wanneer een lichtspoor niet zichtbaar is.

Het onderzoeksnetwerk FRIPON combineert hiervoor optische waarnemingen met radio-ontvangst. De beschrijving van het systeem laat zien dat SDR-ontvangers I/Q-gegevens vastleggen voor verdere analyse van de echo’s. Dat is nauwkeuriger geformuleerd dan zeggen dat een dongle rechtstreeks meteoren ziet: hij meet radiofrequente gevolgen van hun passage. Het herkennen en interpreteren van zo’n gebeurtenis blijft afhankelijk van opstelling, signaalverwerking en aanvullende kennis.

Voor allerlei experimenten is vooral de mogelijkheid tot ruwe I/Q-opname waardevol. Een geluidsopname bewaart alleen wat op dat moment na demodulatie hoorbaar was; een I/Q-opname bewaart het vastgelegde frequentievenster. Daarbinnen kan later opnieuw worden afgestemd en een ander filter of een andere demodulator worden geprobeerd. Zo kunnen onderzoekers verschillende verwerkingsmethoden op precies dezelfde ontvangen gegevens vergelijken.

Dat vraagt opslagruimte. Als rekenvoorbeeld levert een opname met twee miljoen I/Q-paren per seconde en één byte per component vier megabyte per seconde op, zonder bijkomende bestandsinformatie. Een uur kost dan ongeveer 14,4 gigabyte. Het bewaren van centrumfrequentie, bemonsteringsfrequentie en gegevensformaat is minstens zo nodig als het bestand zelf, omdat de getallen zonder die gegevens niet eenduidig te interpreteren zijn.

Waar goede ontvangst werkelijk van afhangt

Meer bits lossen niet alles op

Het aantal ADC-bits bepaalt hoeveel verschillende spanningsniveaus een omzetter kan onderscheiden. Acht bits leveren 256 mogelijke codes op; twaalf bits leveren er 4096. Meer niveaus kunnen kleinere afrondingsfouten en een groter bruikbaar bereik mogelijk maken. De werkelijke prestaties hangen echter ook af van elektronische ruis, vervorming en de kwaliteit van de klok, zodat het getal op zichzelf geen volledige vergelijking oplevert.

Ook de timing van iedere meting telt. Kleine afwijkingen in het bemonsteringstijdstip heten jitter en veroorzaken meetfouten, vooral wanneer de ingangsspanning snel verandert. Daarnaast kunnen sterke signalen de analoge elektronica belasten voordat de ADC zijn grens bereikt. Goed sterk-signaalgedrag vraagt daarom een samenhangend ontwerp; een scherpe digitale filterlijn op het scherm vertelt niet hoeveel storing de ingang daadwerkelijk verdraagt.

Instellen zonder onnodige versterking

Een bruikbare ontvangstproef begint met een bekend station en een antenne die bij de frequentie past. Kies de juiste modulatie en een kanaalfilter dat niet breder is dan nodig. Verhoog de ingangversterking geleidelijk en let niet alleen op de hoogte van de piek, maar op verstaanbaarheid en ongewenste sporen. Minder versterking kan de betere instelling zijn wanneer krachtige signalen de ontvanger belasten.

Een automatische volumeregeling is niet hetzelfde als bescherming tegen oversturing. Een digitale regeling kan het geluid zachter zetten terwijl de ingang nog steeds te veel signaal krijgt. Alleen een regeling die ook de analoge versterking vóór de omzetter aanpast, kan daar de belasting verminderen. Dezelfde aanduiding AGC kan dus naar regelingen op verschillende plaatsen in de ontvangstketen verwijzen.

Bij twijfel helpt het om steeds één onderdeel te veranderen. Vergelijk bijvoorbeeld verschillende versterkingsstanden of controleer wat er overblijft wanneer de antenne wordt losgenomen. Een storing kan immers via de antenne binnenkomen, maar ook door de computer, voeding of ontvanger worden veroorzaakt. Wie een SDR naast een zender gebruikt, moet bovendien de ingang beschermen: een zenderuitgang mag niet rechtstreeks op een gewone ontvangeringang worden aangesloten.

Conclusie

Een SDR verandert vooral waar het selecteren, filteren en herkennen van radiosignalen gebeurt: veel daarvan verhuist van vaste schakelingen naar programmeerbare verwerking. Dat maakt één ontvanger geschikt voor uiteenlopende luister- en meettaken, terwijl opgeslagen signalen later opnieuw kunnen worden onderzocht. De kwaliteit begint niettemin vóór de software, bij antenne, filtering en digitalisering. De vrijheid van SDR is groot, maar blijft afhankelijk van de informatie die de hardware daadwerkelijk weet vast te leggen.

Laatst bijgewerkt op 5 september 2026

Bronnen en meer informatie

  1. Mitola, Joseph (1993). Software Radios: Survey, Critical Evaluation and Future Directions. IEEE Aerospace and Electronic Systems Magazine, 8(4), 25–36. IEEE. DOI 10.1109/62.210638.
  2. Schiphorst, Roel; Hoeksema, Fokke W.; Slump, Cornelis H. (2001). The Front End of Software-Defined Radio: Possibilities and Challenges. CTIT Workshop, Universiteit Twente. S2CID 15863187.
  3. Stewart, Robert W.; Barlee, Kenneth W.; Atkinson, Dale S. W.; Crockett, Louise H. (2015). Software Defined Radio Using MATLAB & Simulink and the RTL-SDR. Glasgow: Strathclyde Academic Media. ISBN 978-0-9929787-2-3.
  4. Wepman, Jeffery A. (1995). Analog-to-Digital Converters and Their Applications in Radio Receivers. IEEE Communications Magazine, 33(5), 39–45. IEEE. DOI 10.1109/35.393000.
  5. Razavi, Behzad (1997). Design Considerations for Direct-Conversion Receivers. IEEE Transactions on Circuits and Systems II: Analog and Digital Signal Processing, 44(6), 428–435. IEEE. DOI 10.1109/82.592569.
  6. Vaughan, Rodney G.; Scott, Neil L.; White, D. Rod (1991). The Theory of Bandpass Sampling. IEEE Transactions on Signal Processing, 39(9), 1973–1984. IEEE. DOI 10.1109/78.134430.
  7. Harris, Fredric J. (1978). On the Use of Windows for Harmonic Analysis with the Discrete Fourier Transform. Proceedings of the IEEE, 66(1), 51–83. IEEE. DOI 10.1109/PROC.1978.10837.
  8. Stewart, Robert W., e.a. (2015). A Low-Cost Desktop Software Defined Radio Design Environment Using MATLAB, Simulink, and the RTL-SDR. IEEE Communications Magazine, 53(9), 64–71. IEEE. DOI 10.1109/MCOM.2015.7263347.
  9. Colas, François, e.a. (2020). FRIPON: A Worldwide Network to Track Incoming Meteoroids. Astronomy & Astrophysics, 644, A53. EDP Sciences. DOI 10.1051/0004-6361/202038649.
  10. Osmocom: Rtl-sdr, documentatieversie 201 van 27 juli 2023.
  11. WebSDR.org: Background Information

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in