Home N en F Radioexamen Middenfrequentie in radio-ontvangers

Middenfrequentie in radio-ontvangers

Schema van een radio-ontvanger met mengtrap, lokale oscillator, middenfrequentiefilter en digitale signaalverwerking
Een radio-ontvanger zet het gekozen signaal om naar een vaste middenfrequentie voor filtering en versterking.

De middenfrequentie is de vaste frequentie waarop een radio-ontvanger een gekozen signaal na menging verder verwerkt. Daardoor kunnen dezelfde nauwkeurige filters en versterkers worden gebruikt, ongeacht de afgestemde zender. Een lage middenfrequentie maakt smal filteren eenvoudiger, terwijl een hogere waarde beeldsignalen beter op afstand houdt. Moderne ontvangers combineren beide voordelen vaak met digitale signaalverwerking.

Waarom gebruikt een ontvanger een middenfrequentie?

Een antenne vangt niet alleen het station op waarnaar iemand wil luisteren. Zij ontvangt tegelijk zwakke en sterke signalen op tal van frequenties, aangevuld met ruis en storing uit de omgeving. Een ontvanger moet uit die drukte één kanaal kiezen, het versterken en de spraak, muziek of gegevens terugwinnen. Rechtstreeks scherp filteren op iedere mogelijke ontvangstfrequentie is lastig, omdat alle afgestemde kringen dan precies gelijk moeten meelopen.

De superheterodyneontvanger lost dat probleem op door het gekozen radiosignaal eerst naar een vaste tussenstap te verplaatsen. Die tussenstap heet de middenfrequentie, vaak afgekort tot MF of aangeduid met de Engelse afkorting IF. Het filter hoeft daardoor niet over de hele band te worden verstemd. Het kan eenmaal worden ontworpen voor een vaste frequentie en daar zijn werk nauwkeurig doen.

De gebruikelijke signaalweg begint met een ingangskring of preselector. Daarna volgen meestal een laagruisversterker, een mengtrap, een middenfrequentiefilter, verdere versterking en een detector of demodulator. Automatische versterkingsregeling voorkomt dat een sterk station de volgende trappen overstuurt. In een hedendaagse ontvanger kunnen de laatste functies geheel of gedeeltelijk door een signaalprocessor worden uitgevoerd.

Wat doen de mengtrap en de lokale oscillator?

De mengtrap krijgt twee signalen aangeboden: het ontvangen radiosignaal en een door de ontvanger opgewekte frequentie van de lokale oscillator. Door het mengproces ontstaan onder meer een somfrequentie en een verschilfrequentie. De ontvanger kiest doorgaans het verschil als middenfrequentie. De afstemming verandert dus vooral de oscillatorfrequentie, terwijl het middenfrequentiedeel op dezelfde waarde blijft werken.

Bij ontvangst van een FM-zender op 100,0 MHz kan de lokale oscillator bijvoorbeeld op 110,7 MHz staan. Het verschil bedraagt dan 10,7 MHz, een veelgebruikte middenfrequentie voor FM-omroep. De modulatie gaat bij deze omzetting niet verloren. Muziek of spraak verhuist als het ware mee naar de nieuwe draaggolffrequentie, waarna filtering en demodulatie volgen.

Een werkelijke mengtrap produceert meer dan alleen de gewenste som en het gewenste verschil. Niet-lineariteit veroorzaakt ook harmonischen en mengproducten van hogere orde. Sommige daarvan kunnen toevallig in de doorlaatband van het middenfrequentiefilter vallen. Een goed frequentieplan bekijkt daarom niet één rekensom, maar alle storende producten die binnen het volledige afstembereik kunnen ontstaan.

Waarom bestaat er geen ideale middenfrequentie?

De keuze van de middenfrequentie is een afweging tussen twee tegengestelde wensen. Op een lage frequentie kan een filter gemakkelijker een smalle absolute bandbreedte krijgen. Een hoge middenfrequentie legt ongewenste beeldsignalen verder van het gekozen kanaal, zodat de ingangskring ze beter kan tegenhouden. Wat gunstig is voor het ene deel van de ontvanger, maakt het ontwerp elders dus lastiger.

Een lage middenfrequentie maakt scherp filteren eenvoudiger

Een filter voor morsetelegrafie hoeft soms maar enkele honderden hertz door te laten. Voor enkelzijbandtelefonie is ongeveer 2,4 kHz gebruikelijk, afhankelijk van het gewenste klankbeeld en de ontvanger. Zulke smalle doorlaatbanden zijn op een betrekkelijk lage middenfrequentie eenvoudiger te realiseren dan op tientallen megahertz. Daarom kwamen waarden rond 450 en 455 kHz veel voor in klassieke AM-ontvangers en in latere conversietrappen van communicatietoestellen.

De benodigde filterkwaliteit wordt vaak beschreven met de verhouding tussen de middenfrequentie en de doorlaatband. Een kanaal van 6 kHz rond 455 kHz vraagt een verhouding van ongeveer 76. Een SSB-filter van 2,4 kHz rond 9 MHz komt uit op ongeveer 3.750. Dat verschil verklaart waarom een eenvoudige afgestemde spoelkring bruikbaar kan zijn voor een brede lage MF, terwijl op 9 MHz vaak een kwartskristalfilter nodig is.

Een hoge middenfrequentie helpt tegen beeldontvangst

Mengen heeft een eigenaardige bijwerking: twee verschillende ingangssignalen kunnen hetzelfde verschil met de oscillator hebben. De ontvanger kan ze na de mengtrap niet meer uit elkaar houden. Het ongewenste signaal heet de beeldfrequentie. Bij de gebruikelijke opstelling ligt die twee keer de middenfrequentie boven of onder het gekozen radiosignaal, afhankelijk van de gekozen oscillatorzijde.

Een AM-ontvanger die op 1.000 kHz staat en een MF van 455 kHz gebruikt, kan zijn oscillator op 1.455 kHz hebben. Het gewenste signaal levert dan een verschil van 455 kHz op. Een ongewenste zender op 1.910 kHz doet precies hetzelfde, want ook die ligt 455 kHz van de oscillator. De ingangskring moet dat tweede signaal verzwakken voordat het de mengtrap bereikt.

Bij FM op 100,0 MHz en een middenfrequentie van 10,7 MHz ligt de overeenkomstige beeldfrequentie op 121,4 MHz. De afstand tot het gekozen station bedraagt dan 21,4 MHz. Een VHF-preselector kan zo’n ruim verwijderde frequentie doorgaans beter onderdrukken dan een beeld op minder dan één megahertz afstand. Een hogere MF koopt dus ruimte, maar betaalt daarvoor met zwaardere eisen aan het kanaalfilter.

Hoe combineert dubbele conversie beide voordelen?

Een ontvanger met dubbele conversie gebruikt twee mengtrappen en twee middenfrequenties. De eerste MF ligt vaak relatief hoog, zodat de eerste beeldfrequentie ver weg komt te liggen. Een tweede mengtrap brengt het signaal daarna naar een lagere MF, waar een smal filter het gekozen kanaal afbakent. Elke frequentie krijgt zo een afzonderlijke taak.

Neem een VHF-ontvanger op 145,000 MHz met een eerste MF van 21,4 MHz. Bij menging met een oscillator op 166,4 MHz ontstaat het gewenste verschil van 21,4 MHz en ligt het eerste beeld op 187,8 MHz. Een tweede oscillator op 20,945 MHz kan het signaal daarna omzetten naar 455 kHz. Op die lage tweede MF is een filter voor een smal spraak- of datakanaal betrekkelijk goed uitvoerbaar.

Meer omzettingen brengen ook nieuwe problemen mee. Iedere mengtrap veroorzaakt verlies, ruis en aanvullende mengproducten, terwijl iedere oscillator eigen ongewenste zijtonen en faseruis heeft. Een ontvanger met drie conversies is dan ook niet automatisch beter dan een toestel met één conversie. De kwaliteit hangt af van het volledige ontwerp, niet van het aantal blokken op het schema.

Een filter direct na de eerste mengtrap wordt vaak een roofingfilter genoemd. Het hoeft nog niet de uiteindelijke kanaalbreedte te bepalen, maar houdt sterke signalen buiten het gewenste frequentiegebied weg uit latere versterkers of de analoog-digitaalomzetter. Dat beschermt het dynamische bereik. Een messcherp digitaal filter aan het einde kan namelijk geen oversturing herstellen die eerder in de keten al is ontstaan.

Welke filters worden op de middenfrequentie gebruikt?

De gewenste modulatie bepaalt hoeveel spectrum het filter moet doorlaten. CW kan zeer smal worden ontvangen, SSB vraagt enkele kilohertz en smalband-FM heeft meer ruimte nodig. FM-omroep gebruikt een doorlaatband van grofweg enkele honderden kilohertz. Te breed filteren laat extra ruis en naburige kanalen door, terwijl te smal filteren de informatie vervormt of een deel ervan afsnijdt.

Een LC-filter met spoelen en condensatoren is eenvoudig, afstembaar en betaalbaar. Het past goed in ingangskringen en eenvoudige MF-trappen, maar de haalbare steilheid wordt beperkt door verliezen en belasting. Keramische filters zijn klein en worden gemaakt voor vaste frequenties, waaronder 455 kHz en 10,7 MHz. Zij zijn geschikt voor AM, FM en betaalbare communicatieradio, al veroorzaken ze enig doorlaatverlies.

Kwartskristalfilters leveren smalle, steile doorlaatbanden en zijn daardoor geliefd voor CW, SSB en smalbandkanalen. SAW-filters werken op hogere frequenties en combineren kleine afmetingen met eigenschappen die nauwkeurig in het fabricageproces worden vastgelegd. Digitale filters bieden nog meer vrijheid, omdat hun bandbreedte en vorm programmeerbaar zijn. Hun prestaties blijven echter afhankelijk van de analoge ingang, de omzetter, de klok en de beschikbare rekenkracht.

Een keramisch of kristalfilter werkt alleen volgens verwachting wanneer bron en belasting bij het ontwerp passen. De aansluitimpedantie is lang niet altijd 50 ohm. Keramische filters voor 10,7 MHz kunnen bijvoorbeeld voor enkele honderden ohms zijn bedoeld, terwijl bepaalde filters voor 455 kHz een hogere afsluitimpedantie verlangen. Een verkeerde belasting verandert de doorlaatcurve, de demping en soms ook de vervorming van gemoduleerde signalen.

Ook de vorm van de filterflanken telt. Twee filters met dezelfde opgegeven bandbreedte kunnen naburige signalen heel verschillend onderdrukken. Doorlaatverlies, rimpel, groepsvertraging en onderdrukking op grotere afstand geven een vollediger beeld dan één getal op de verpakking. Vooral bij FM en digitale modulatie kan een onrustige groepsvertraging vervorming veroorzaken, ook wanneer de amplitudeweergave er nog behoorlijk uitziet.

Wat bepalen faseruis en dynamisch bereik?

Een ontvanger moet een zwak signaal kunnen horen terwijl elders op de band een veel sterkere zender actief is. Dat stelt eisen aan de preselector, de laagruisversterker, de mengtrap en alle volgende versterkers. Krijgt een vroege trap te veel signaal aangeboden, dan ontstaan compressie en intermodulatie. Daarbij kunnen schijnsignalen verschijnen op frequenties waar in werkelijkheid geen zender actief is.

De lokale oscillator is evenmin volmaakt. Rond de bedoelde oscillatorfrequentie bevindt zich een ruisrok die faseruis wordt genoemd. Een sterk naburig signaal kan met die ruis mengen en zo de ruisvloer binnen het gekozen kanaal verhogen. Dit verschijnsel heet reciproke menging. Een smaller MF-filter achter de mengtrap helpt daar maar beperkt tegen, omdat de storende energie tijdens het mengen al in de doorlaatband terechtkomt.

Automatische versterkingsregeling houdt de signaalniveaus binnen bruikbare grenzen. Zij verlaagt de versterking wanneer een sterk gewenst of ongewenst signaal de keten dreigt te overbelasten. Dat voorkomt vervorming, maar kan tegelijk een zwak station minder hoorbaar maken. Goede ontvangers verdelen versterking en filtering daarom over meerdere trappen, met voldoende reserve voor pieken en sterke buren.

Wat verandert er bij SDR en digitale middenfrequentie?

Software Defined Radio verandert vooral waar de filtering plaatsvindt. Een ontvanger kan nog steeds analoog naar een eerste MF mengen en die frequentie vervolgens digitaliseren. Digitale schakelingen voeren daarna de verdere omzetting, kanaalfiltering en demodulatie uit. De gebruiker kan zo tussen CW, SSB, AM, FM en datamodi wisselen zonder voor iedere bandbreedte een ander fysiek filter te plaatsen.

Digitale filters zijn nauwkeurig instelbaar en kunnen zeer steile flanken krijgen. Toch kan software de analoge voorkant niet vervangen. Signalen buiten de gewenste band moeten voldoende worden begrensd voordat zij de analoog-digitaalomzetter bereiken. Anders raakt de omzetter overstuurd of verschijnen ongewenste frequenties door aliasing op een andere plaats in het digitale spectrum.

Zero-IF en low-IF

Bij zero-IF wordt het gekozen kanaal rechtstreeks rond nul hertz geplaatst. De ontvanger splitst het signaal in twee componenten die negentig graden in fase verschillen, aangeduid als I en Q. Samen bewaren zij zowel amplitude als fase en kunnen zij de twee zijden van het spectrum onderscheiden. Deze opbouw past goed in geïntegreerde schakelingen en komt veel voor in moderne SDR-apparatuur.

Zero-IF ruilt het klassieke beeldprobleem in voor andere onvolkomenheden. Een kleine afwijking tussen de I- en Q-kanalen veroorzaakt een spiegelsignaal, terwijl lekkage van de oscillator een gelijkspanningscomponent kan opleveren. Ook laagfrequente halfgeleiderruis wordt rond nul hertz hinderlijker. Kalibratie en digitale correctie verminderen deze effecten, maar laten opnieuw zien dat een verdwenen analoog onderdeel meestal terugkeert als een andere ontwerpeis.

Low-IF plaatst het kanaal net naast nul hertz. Daardoor wordt de gevoeligheid voor gelijkspanning en zeer laagfrequente ruis kleiner, maar blijft een nabijgelegen spiegel aanwezig. Rechtstreekse RF-bemonstering gaat nog verder en laat een snelle omzetter een groot deel van het radiospectrum vastleggen. Ook daarbij blijven een geschikte ingangskring, anti-aliasfiltering, een stabiele klok en voldoende dynamisch bereik nodig.

Hoe wordt een middenfrequentieketen getest?

Een losse filtermeting vertelt slechts een deel van het verhaal. Met een vector-netwerkanalysator worden onder meer doorlaatverlies, bandbreedte, aanpassing en onderdrukking buiten de doorlaatband gemeten. De fabrikantimpedantie moet daarbij worden nagebootst, anders wordt vooral de verkeerde meetopstelling beoordeeld. Voor FM en dataverkeer kan ook de groepsvertraging over de doorlaatband van belang zijn.

De volledige ontvanger wordt met een gekalibreerde signaalgenerator getest. Gevoeligheid geeft aan welk minimaal ingangsniveau nog bruikbare audio of betrouwbare gegevens oplevert. Selectiviteit beschrijft hoe goed de ontvanger een naburig kanaal afwijst. Een blockingtest onderzoekt of een sterke verder gelegen zender de ontvangst verstoort, terwijl een tweetoonmeting ongewenste intermodulatieproducten zichtbaar maakt.

Beeldonderdrukking is rechtstreeks te controleren door eerst een gewenst signaal en daarna een signaal op de berekende beeldfrequentie aan te bieden. Voor dezelfde uitgangssterkte zal bij een goede ontvanger veel meer vermogen op de beeldfrequentie nodig zijn. De proef moet op verschillende afstempunten worden herhaald. Een preselector die onder in de band uitstekend werkt, kan hogerop immers een heel ander resultaat geven.

Europese normen voor AM- en FM-omroepontvangers beschrijven meetmethoden en grenswaarden voor gevoeligheid, nabuurkanaalselectiviteit, blocking en ongewenste uitstraling. Zij schrijven geen vaste middenfrequentie voor. De ontwerper mag dus een klassieke superheterodyne, meervoudige conversie of digitale architectuur kiezen, zolang het complete toestel aan de gevraagde ontvangstprestaties voldoet. De eindmeting beslist, niet de naam van de schakeling.

Waar let een zendamateur in de praktijk op?

Bij reparatie of afregeling staat de middenfrequentie meestal in het serviceschema. Controleer niet alleen de nominale waarde, maar ook de voorgeschreven bandbreedte, filterimpedantie en meetpunten. Een meetzender wordt op een laag niveau aangesloten en de afregeling begint volgens de volgorde van de fabrikant. Willekeurig aan spoelkernen draaien levert soms meer volume op, maar kan selectiviteit, symmetrie en beeldonderdrukking tegelijk verslechteren.

Voor zelfbouw begint de keuze bij de te ontvangen band en modulatie. Daarna volgen de benodigde kanaalbreedte, de haalbare preselectie, beschikbare filters, het bereik van de oscillator en de kans op storende mengproducten. Ook het sterkste verwachte ingangssignaal verdient aandacht. Een ontvanger die op de werkbank een zwakke generator hoort, kan naast een krachtige lokale zender alsnog volledig dichtlopen.

Een vaste volgorde voorkomt dat een aantrekkelijke standaardwaarde te vroeg het ontwerp bepaalt. Begin bij de band en het kanaal, werk daarna naar binnen en controleer aan het einde of alle trappen samen goed presteren. Voor een zelfbouwontvanger of een grondige modificatie komen de volgende zeven stappen van pas. Ze maken fouten in beeldonderdrukking en sterk-signaalgedrag eerder zichtbaar.

  1. Leg ontvangstbereik, modulaties en kanaalbreedten vast.
  2. Bereken voor iedere kandidaat-MF de beeldfrequenties over de hele band.
  3. Controleer welke analoge filters en afsluitimpedanties werkelijk beschikbaar zijn.
  4. Breng oscillatorharmonischen en mengproducten van lage orde in kaart.
  5. Verdeel versterking en filtering zodat geen trap onnodig wordt overbelast.
  6. Neem bij digitalisering ook bemonsteringsfrequentie, aliasing en klokruis mee.
  7. Meet gevoeligheid, selectiviteit en sterk-signaalgedrag op meer dan één frequentie.

De bekende waarden 455 kHz en 10,7 MHz zijn dus geen natuurwetten. Ze werden populair omdat er passende onderdelen voor bestaan en omdat ze in veel ontvangers een bruikbaar compromis bieden. Voor een smal HF-signaal kan 9 MHz handiger zijn, terwijl een breedbandontvanger een eerste MF van tientallen megahertz kiest. In een SDR kan de zichtbare analoge MF zelfs verdwijnen zonder dat het onderliggende keuzeprobleem weg is.

Conclusie

De middenfrequentie maakt het mogelijk om uiteenlopende radiosignalen met vaste, goed beheersbare filters en versterkers te verwerken. Een lage MF ondersteunt smalle kanaalfiltering, een hoge MF vergroot de afstand tot beeldsignalen en dubbele conversie verdeelt beide taken over twee trappen. Digitale verwerking biedt veel vrijheid, maar neemt de eisen aan preselectie, oscillatorzuiverheid en dynamisch bereik niet weg.

De beste waarde volgt daarom uit de hele ontvangerketen. Bandbreedte, modulatie, beeldonderdrukking, filtertechniek, mengproducten en de maximaal te verwerken signaalsterkte horen samen te worden beoordeeld. Voor de zendamateur is dat meteen de nuttigste les: een middenfrequentie is geen los getal op een schema, maar het knooppunt waar veel eigenschappen van de ontvanger samenkomen.

Bronnen en meer informatie

  1. Razavi, Behzad (2012). RF Microelectronics. Tweede editie. Pearson Education. ISBN 978-0-13-713473-1.
  2. Egan, William F. (2003). Practical RF System Design. Wiley-IEEE Press. ISBN 978-0-471-20023-9.
  3. Lyons, Richard G. (2011). Understanding Digital Signal Processing. Derde editie. Prentice Hall. ISBN 978-0-13-702741-5.
  4. Abidi, Asad A. (1995). Direct-Conversion Radio Transceivers for Digital Communications. IEEE Journal of Solid-State Circuits, 30(12), 1399-1410. DOI 10.1109/4.482187.
  5. Razavi, Behzad (1997). Design Considerations for Direct-Conversion Receivers. IEEE Transactions on Circuits and Systems II, 44(6), 428-435. DOI 10.1109/82.592569.
  6. ETSI: EN 303 345-2 V1.2.1, AM broadcast sound service.
  7. ETSI: EN 303 345-3 V1.1.1, FM broadcast sound service.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in