
Telex was een internationaal communicatiesysteem waarmee aangesloten gebruikers geschreven berichten rechtstreeks naar elkaars verreschrijver konden sturen. De tekst verscheen bij de ontvanger op papier, terwijl een automatische antwoordcode hielp de juiste aansluiting te controleren. Het systeem groeide vanaf de jaren dertig uit tot een veelgebruikt bedrijfsnetwerk, voordat fax en e-mail het grotendeels vervingen.
Een netwerk voor geschreven berichten
Een telexapparaat leek op een schrijfmachine die ook berichten van elders kon afdrukken. Het toetsenbord zette toetsaanslagen om in elektrische signalen, die aan de andere kant weer als letters en cijfers verschenen. Bedrijven, banken en overheidsdiensten konden daardoor rechtstreeks schriftelijk communiceren, zonder voor ieder bericht een telegram bij een telegraafkantoor aan te bieden. De papieren afdruk bood bovendien een verslag dat kon worden nagelezen, doorgegeven en opgeborgen.
Het woord telex werd gebruikt voor de communicatiedienst, het netwerk, het toestel en het verzonden bericht. Die betekenissen horen bij elkaar, maar zijn technisch niet hetzelfde. Een verreschrijver kon ook op een vaste verbinding tussen twee locaties werken, zonder deel te nemen aan een openbaar telexnet. Bij telex maakte een centrale het mogelijk verschillende abonnees te bereiken: de verzender koos een nummer, waarna het netwerk de verbinding met de gewenste aansluiting tot stand bracht.
Van toetsenbord naar afdruk
Elektrische signalen en geschakelde verbindingen
Telex bouwde voort op de elektrische telegrafie, waarin informatie werd overgebracht door onderscheid te maken tussen twee signaaltoestanden. Technici gebruikten daarvoor onder meer de Engelse termen mark en space. Op een eenvoudige lijn konden deze toestanden worden weergegeven door stroom te laten lopen of te onderbreken; andere systemen werkten met verschillende polariteiten of tonen met verschillende frequenties. Het ontvangende toestel herkende de opeenvolgende toestanden en zette die om in een afdruk.
De verhouding tussen telex en telefonie verschilde per land en periode. Sommige vroege diensten gebruikten telefoonverbindingen, terwijl andere netten eigen telexcentrales en aansluitlijnen kregen. Ook wanneer kabels of transmissievoorzieningen werden gedeeld, bleef telex een afzonderlijke dienst met eigen nummers en procedures. Een verbinding voor gesproken woorden werd dus niet automatisch een telexverbinding: daarvoor waren passende schakelapparatuur en signalering nodig, en soms modems die de telegraafsignalen omzetten in hoorbare tonen.
Vijf bits voor letters en cijfers
Voor internationaal telexverkeer werd International Telegraph Alphabet No. 2 gebruikt, meestal afgekort tot ITA2. Deze tekencode werkt met vijf opeenvolgende informatie-eenheden, die ieder twee mogelijke waarden hebben. Daarmee zijn 32 combinaties beschikbaar, te weinig om iedere letter, ieder cijfer en alle leestekens een geheel eigen code te geven. De oplossing was een omschakeling tussen een letterstand en een cijferstand, waarbij dezelfde combinatie afhankelijk van de gekozen stand een andere betekenis kreeg.
Behalve druktekens bevatte ITA2 opdrachten voor de bediening van het toestel, zoals een nieuwe regel beginnen of de wagen terugbrengen. Ook het omschakelen tussen letters en cijfers gebeurde met zulke besturingscodes. Gewone telexafdrukken bestonden doorgaans uit hoofdletters en een beperkt aantal leestekens, al kenden de standaarden aanvullende mogelijkheden en nationale varianten. De beperkte tekenset maakte internationale afspraken over de betekenis van de codes noodzakelijk, vooral bij tekens die niet overal op dezelfde manier werden gebruikt.
Vijftig baud en de werkelijke snelheid
Veel internationale telexverbindingen werkten met een snelheid van 50 baud. Dat betekent dat per seconde vijftig signaalelementen werden verzonden, niet vijftig letters. Naast de vijf informatie-eenheden had een teken een startsignaal en een stopsignaal nodig, waarmee de ontvanger de afzonderlijke tekens kon herkennen. Bij de gebruikelijke indeling kwam dat neer op ongeveer 6,7 tekens per seconde, oftewel circa vierhonderd tekens per minuut inclusief spaties en besturingsopdrachten.
Die snelheid wordt vaak beschreven als ongeveer 66 woorden per minuut, maar het werkelijke aantal woorden hing af van de tekst. Lange woorden, cijfers en extra omschakeltekens namen meer tijd in beslag dan korte woorden in een doorlopende zin. Voor zakelijk berichtenverkeer was de capaciteit bruikbaar, zeker wanneer een voorbereide tekst automatisch werd verzonden. De eenvoud van de signalering maakte het bovendien mogelijk dezelfde basisdienst via uiteenlopende verbindingen en apparatuur aan te bieden.
Een bericht versturen en de aansluiting controleren
Ponsbanden en verbindingstijd
Een bericht kon tijdens de verbinding worden ingetypt, maar werd vaak eerst op een papieren ponsband voorbereid. De vijf informatie-eenheden van ieder teken werden daarin vastgelegd als een patroon van gaatjes. Een bandlezer stuurde de tekst vervolgens met de snelheid van de verbinding naar de ontvanger. Omdat de verzender niet meer hoefde te wachten op het typen en corrigeren van de tekst, werd de beschikbare verbindingstijd beter benut.
Die voorbereiding had een financieel voordeel: bij veel telexdiensten werden kosten berekend op basis van de duur van de verbinding. Een medewerker kon de inhoud controleren voordat de verbinding werd opgebouwd en dezelfde band later opnieuw gebruiken. Voor een kort overleg bleef rechtstreeks typen eveneens mogelijk, waarbij beide partijen beurtelings tekst uitwisselden. Telex kon daardoor zowel worden gebruikt voor een voorbereide mededeling als voor een schriftelijk gesprek tussen twee aangesloten kantoren.
De automatische antwoordcode
Een herkenbaar onderdeel van telex was de answerback, de automatisch teruggezonden identificatie van de aansluiting. De verzender kon deze opvragen met de besturingsopdracht WRU, afkomstig van Who are you? De ontvangende machine stuurde dan haar ingestelde antwoordcode terug, doorgaans met een aansluitnummer, een afkorting van de abonnee en een netwerkcode. Een aanduiding zoals 14910 ERIC S combineerde zo een nummer met een bedrijfsidentificatie en de aanduiding van het Zweedse netwerk.
Bij oudere apparaten werd de antwoordcode mechanisch vastgelegd, bijvoorbeeld op een trommel met nokken die de vereiste tekens voortbracht. Elektronische toestellen konden dezelfde functie zonder zo’n mechanisme uitvoeren. De gebruikelijke procedure omvatte een controle bij het begin en opnieuw bij het einde van de verzending. Daarmee kon de verzender nagaan of de bedoelde aansluiting bereikbaar was en of deze na het versturen nog correct antwoordde, ook wanneer er aan de ontvangende kant niemand bij het toestel zat.
De antwoordcode bood zekerheid over de aansluiting, maar was geen bevestiging dat een medewerker het bericht had gelezen. Evenmin bewees een correcte code aan het einde dat ieder eerder verzonden teken foutloos was afgedrukt. Het systeem kende aanvullende procedures voor storingen, herhalingen en controle van de ontvangst. Ook versleuteling of een moderne digitale handtekening maakte geen vanzelfsprekend onderdeel uit van gewone telex: toestelidentificatie, controle van de berichtinhoud en beveiliging waren verschillende zaken.
De ontwikkeling van internationale telexnetten
Van afzonderlijke lijnen naar openbare diensten
Verreschrijvers bestonden al voordat openbare telexnetten werden aangelegd. Ze werden gebruikt om tekst over vaste telegraafverbindingen te versturen, zodat een ontvangende medewerker niet ieder signaal zelf hoefde te ontcijferen. In de jaren twintig werd gewerkt aan diensten waarbij abonnees verschillende andere aansluitingen konden kiezen. In Duitsland ontstond in 1933 een telexnet van de Reichspost, aanvankelijk tussen Berlijn en Hamburg; in de Verenigde Staten bestond toen al een verwante, handmatig geschakelde dienst.
Na de Tweede Wereldoorlog groeide telex uit tot een internationaal netwerk van gekoppelde nationale diensten. De afzonderlijke netten werden veelal beheerd door nationale post- en telecommunicatieorganisaties. Kabels, straalverbindingen en radioverbindingen zorgden voor het verkeer tussen centrales en landen. Internationale afspraken binnen de International Telecommunication Union maakten het mogelijk apparatuur en netten met verschillende technische uitvoeringen op elkaar aan te sluiten, zonder voor iedere combinatie een geheel nieuwe berichtendienst te ontwerpen.
Die internationale samenwerking ging verder dan het vastleggen van een tekencode. Er waren ook afspraken nodig over nummerkeuze, antwoordcodes, storingsmeldingen, tarieven en de afwikkeling van berichten. Veel daarvan werden uitgewerkt door het CCITT, het internationale raadgevende comité voor telegrafie en telefonie binnen de ITU. Dit comité werd in 1993 vervangen door de standaardisatiesector ITU-T; de telex- en teletexstandaarden uit de jaren tachtig waren dus nog onder de naam CCITT ontwikkeld.
Groot-Brittannië, Canada en andere landen
In Groot-Brittannië werd in 1932 een vroege telexdienst ingevoerd die gebruikmaakte van het telefoonnet en verbonden was met de Printergram-dienst. Later kwam er een afzonderlijk net met handmatige telexcentrales. De omschakeling naar automatische nationale verbindingen vond plaats aan het einde van de jaren vijftig en was eind 1960 voltooid. Vanaf 1961 werd ook rechtstreeks internationaal kiezen naar West-Europese netten uitgebreid, waardoor voor steeds minder verbindingen een telefonist nodig was.
Canada kreeg in november 1956 een internationale telexdienst, gevolgd door een landelijke automatische dienst in juli 1957. De telegraafbedrijven van Canadian National Railway en Canadian Pacific Railway speelden daarbij een rol, met belangrijke centrales in Montreal, Toronto en Winnipeg. Nieuw-Zeeland opende in 1960 zijn internationale telexdienst, waarmee bedrijven schriftelijk contact konden onderhouden met handelspartners op het noordelijk halfrond. Ook in Kenia werd telex uitgebouwd, als onderdeel van een telecommunicatienet waarin verbindingen met het buitenland economisch belangrijk waren.
De internationale uitbreiding was niet overal afhankelijk van een uitgebreid kabelnet. Kortegolfradio kon tekstverbindingen mogelijk maken over lange afstanden en naar plaatsen waar de aanleg van kabels moeilijk was. Om de beschikbare radiokanalen te benutten, konden meerdere telegraafverbindingen met technieken voor tijdverdeling over één transmissiesysteem worden geleid. Voor bescherming tegen transmissiefouten bestonden afzonderlijke standaarden, zoals CCITT-aanbeveling S.13 voor radiosystemen met automatische herhaling van verkeerd ontvangen tekens.
TWX en Western Union in de Verenigde Staten
Een verwante dienst met andere standaarden
AT&T begon op 21 november 1931 met de Teletypewriter Exchange Service, beter bekend als TWX. De dienst bood rechtstreeks verkeer tussen verreschrijvers, maar gebruikte aanvankelijk handmatig tot stand gebrachte verbindingen. In 1962 werd TWX geïntegreerd in het Amerikaanse telefoonnet voor automatisch interlokaal kiezen. De omschakeling moest de gemiddelde tijd om een verbinding op te bouwen terugbrengen van ongeveer tweeënhalve minuut tot ongeveer een halve minuut.
De oorspronkelijke TWX-dienst werkte met een vijfdelige tekencode en een snelheid van ongeveer 45,45 baud. In de jaren zestig kwam daar een snellere uitvoering bij, met onder meer de Teletype Model 33, die een zevenbits ASCII-code en 110 baud gebruikte. De verschillen betroffen niet alleen snelheid, maar ook de tekenset en de bijbehorende apparatuur. Voor verkeer tussen de oudere en nieuwere uitvoering waren daarom voorzieningen nodig die de codes en transmissiesnelheden op elkaar afstemden.
Het afzonderlijke telexnet van Western Union
Western Union begon in 1958 een eigen telexnet in New York, gebaseerd op de internationaal gebruikte telexstandaarden. Het netwerk werd uitgebreid met centrales in andere Amerikaanse steden, waaronder Chicago en San Francisco. Siemens & Halske en ITT leverden apparatuur voor de centrales, terwijl voor verbindingen onder meer straalverbindingen en gehuurde lijnen werden gebruikt. In 1960 kwamen rechtstreekse internationale telexverbindingen naar Londen en Parijs beschikbaar, waarna verdere uitbreiding volgde.
Het netwerk van Western Union kreeg een hiërarchie van grote centrales, regionale knooppunten en kleinere aansluitcentrales. In het Amerikaanse nummerplan gaf het eerste cijfer van een telexnummer aanvankelijk aan bij welke grote centrale de aansluiting hoorde. Ook de uitvoering van de lokale verbinding verschilde: naast stroomlussen werden later modemverbindingen toegepast. Zulke veranderingen maakten het mogelijk de bestaande telexdienst te blijven aanbieden terwijl de onderliggende transmissietechniek werd aangepast.
TWX en het telexnet van Western Union vormden lange tijd twee verschillende Amerikaanse diensten. De verkoop van TWX aan Western Union werd in 1969 aangekondigd; de daadwerkelijke overdracht vond in 1971 plaats. Western Union bracht de diensten later samen binnen Telex II, waarvoor ook oudere aansluitingen moesten worden aangepast. Voor internationale verbindingen waren daarnaast gespecialiseerde aanbieders actief, waaronder Western Union International, ITT World Communications en RCA Communications, die het verkeer tussen binnenlandse en buitenlandse netten verzorgden.
Telex in de bedrijfsautomatisering
Telex werd gebruikt voor bestellingen, leveringsafspraken, financiële instructies en andere zakelijke mededelingen die schriftelijk moesten worden vastgelegd. De automatische ontvangst maakte communicatie mogelijk tussen kantoren die door tijdzones verschillende werktijden hadden. Een bericht kon immers aankomen terwijl het ontvangende kantoor gesloten was, mits de aansluiting en het toestel beschikbaar bleven. De afdruk vormde vervolgens het beginpunt voor verdere verwerking door medewerkers, met de antwoordcodes als onderdeel van het verslag van de verbinding.
Ponsbanden maakten ook uitwisseling tussen computers mogelijk, al vereiste dat afspraken over de indeling van de gegevens. Een bedrijf kon bijvoorbeeld een gegevensbestand op band laten vastleggen, via telex versturen en aan de ontvangende kant opnieuw op band opnemen. Daarna kon die band worden ingelezen in een ander computersysteem. De tekst hoefde zo niet telkens door medewerkers te worden overgetypt, maar de betrokken systemen moesten wel dezelfde betekenis toekennen aan codes, velden en tekens.
Later namen computers meer van de berichtafhandeling over, waaronder opslag, doorzending en distributie naar verschillende bestemmingen. Western Union bood met InfoMaster voorzieningen waarmee een eenmaal aangeleverd bericht naar meerdere telex- of TWX-aansluitingen kon worden verstuurd. Er kwamen ook koppelingen tussen telex en elektronische postsystemen, zodat organisaties beide communicatievormen naast elkaar konden gebruiken. De overgang naar e-mail verliep daardoor in delen van het bedrijfsleven via tussenliggende systemen die oudere aansluitingen met nieuwere kantoorautomatisering verbonden.
Waarom fax en e-mail de telex verdrongen
Meer mogelijkheden voor documenten en gegevens
De fax bood vanaf de jaren tachtig een praktisch voordeel voor het versturen van bestaande documenten. Een vel papier met tekst, een handtekening, een tabel of een tekening kon worden verzonden zonder de inhoud opnieuw in te typen. Telex verstuurde hoofdzakelijk gecodeerde tekens en kon de oorspronkelijke opmaak van zo’n document niet eenvoudig overbrengen. Naarmate faxapparaten goedkoper en algemener werden, verdween daardoor een deel van de reden om een afzonderlijke telexaansluiting te onderhouden.
Elektronische post maakte vervolgens schriftelijke communicatie rechtstreeks vanuit computers mogelijk. Berichten konden digitaal worden opgeslagen, bewerkt, doorgestuurd en later ook van bestanden worden voorzien. Voor organisaties die hun administratie al met computers uitvoerden, sloot dat beter aan op het dagelijkse werk dan afdrukken en ponsbanden. De vervanging van telex verliep per land en sector verschillend, doordat bestaande apparatuur, internationale contacten en gevestigde werkprocedures niet overal tegelijk veranderden.
Banken hadden daarnaast behoefte aan berichten die automatisch en volgens een vaste indeling konden worden verwerkt. Het SWIFT-netwerk, dat in 1977 operationeel werd, bood daarvoor gestandaardiseerd financieel berichtenverkeer. Waar een telex vaak vrije tekst bevatte die medewerkers moesten interpreteren, maakten afgesproken berichtvelden verdere automatisering mogelijk. SWIFT nam zo een deel van het bankverkeer over dat eerder via telex werd afgehandeld, terwijl in andere sectoren vooral fax en e-mail de vervanging bepaalden.
Teletex en de erfenis in computerstandaarden
Teletex was een afzonderlijke dienst waarmee het CCITT tekstcommunicatie geschikt wilde maken voor uitgebreidere kantoorautomatisering. De standaarden boden meer mogelijkheden voor tekens en documentweergave dan de gewone telexdienst. Daarmee werd geprobeerd tekstverwerking en communicatie nauwer met elkaar te verbinden, maar teletex werd geen blijvende algemene opvolger van telex. De ontwikkeling van andere vormen van gegevenscommunicatie en elektronische post veranderde de omgeving waarin deze dienst moest worden ingevoerd.
Sporen van telex en teletex bleven wel aanwezig in computerstandaarden. LDAP, een protocol voor het raadplegen van elektronische adresregisters, kent bijvoorbeeld vastgelegde gegevenstypen voor een telexnummer en een teletexidentificatie. Een telexnummer wordt daarin beschreven met het aansluitnummer, de landcode en de antwoordcode. Dat betekent niet dat LDAP telexberichten verzendt, maar dat zulke registers ook communicatiegegevens uit oudere systemen konden bewaren en op een afgesproken manier weergeven.
Radiotelex en de scheepvaart
Radiotelex gebruikte radioverbindingen om tekst uit te wisselen waar vaste lijnen ontbraken, onder meer tussen schepen en kuststations. Via verbindingen met telexnetten aan land konden berichten worden doorgestuurd naar kantoren en andere abonnees. Omdat radiosignalen kunnen verzwakken of door storing worden aangetast, werden voor bepaalde systemen technieken voor foutdetectie, foutcorrectie of automatische herhaling toegepast. De benaming RTTY wordt eveneens gebruikt voor radiotelegrafie met gedrukte tekst, maar niet iedere RTTY-verbinding maakt deel uit van een telexnet.
In de scheepvaart werd smalbandige directdrukkende telegrafie aangeduid als narrow-band direct printing, afgekort NBDP. Deze techniek speelde een rol binnen het Global Maritime Distress and Safety System, het internationale systeem voor nood- en veiligheidscommunicatie op zee. De betekenis ervan is inmiddels gewijzigd: sinds 1 januari 2024 is tweerichtings-NBDP geen verplicht onderdeel meer van de gemoderniseerde GMDSS-uitrusting. De bijbehorende tweerichtingsdiensten op de korte golf voor nood- en veiligheidsverkeer zijn beëindigd.
Het vervallen van die tweerichtingsdiensten betekende niet dat iedere vorm van directdrukkende radio-uitzending verdween. De Britse maritieme autoriteit maakte bij de beëindiging duidelijk dat uitzendingen van maritieme veiligheidsinformatie via NBDP op de korte golf daardoor niet werden geraakt. Ook NAVTEX gebruikt directdrukkende radiotechniek voor het verspreiden van onder meer navigatie- en weerwaarschuwingen. Een beschrijving van radiotelex moet daarom onderscheid maken tussen vroegere tweerichtingsverbindingen, uitzendingen voor veiligheidsinformatie en het openbare telexnet aan land.
Conclusie
Telex maakte rechtstreekse schriftelijke communicatie over grote afstanden mogelijk voordat computers en internet die taak algemeen overnamen. Het combineerde verreschrijvers, geschakelde verbindingen, een gestandaardiseerde tekencode en controle van de aangesloten toestellen. De beperkte snelheid en tekenset waren werkbaar zolang de dienst aansloot op de behoeften van internationale organisaties. Fax, digitale kantoorautomatisering en gespecialiseerde berichtennetwerken boden later functies die steeds minder goed binnen de bestaande telexdienst pasten.
De geschiedenis van telex laat ook zien hoeveel samenwerking nodig is om verschillende nationale netten als één bruikbare dienst te laten functioneren. Een bericht versturen vereiste meer dan een machine die letters kon afdrukken: nummers, codes, storingsprocedures en ontvangstcontroles moesten op elkaar aansluiten. Juist die afspraken maakten het systeem internationaal bruikbaar. De resterende verwijzingen in computerstandaarden en de afzonderlijke ontwikkeling van directdrukkende maritieme radiotechniek tonen hoe onderdelen van een communicatiesysteem kunnen voortbestaan nadat de oorspronkelijke bedrijfsdienst grotendeels is verdwenen.
Bronnen en meer informatie
- Afbeelding: Jamie, CC BY 2.0, via Wikimedia Commons
- Huurdeman, Anton A. (2003). The worldwide history of telecommunications. John Wiley & Sons. ISBN 978-0-471-20505-0.
- International Telecommunication Union (1989). Blue book, volume VII, fascicle VII.1: Telegraph transmission; telegraph services terminal equipment. International Telecommunication Union. ISBN 92-61-03591-4.
- International Telecommunication Union (1989). Blue book, volume II, fascicle II.4: Telegraph and mobile services; operations and quality of service. International Telecommunication Union. ISBN 92-61-03281-8.
- Knowlton, A. D., Locke, G. A. en Singer, F. J. (1936). Switchboards and signaling facilities of the teletypewriter exchange system. Bell System Technical Journal, 15(4), 504–528. ISSN 0005-8580.
- Tyberghein, E. J. (1962). TWX goes dial. Bell Laboratories Record, 40, 232–237. ISSN 0743-0205.
- Easterlin, P. R. (1959). Telex in New York. Western Union Technical Review, 13(2), 45–56. ISSN 0096-6452.
- Easterlin, P. R. (1962). Telex in the U.S.A. Western Union Technical Review, 16(1), 2–15. ISSN 0096-6452.
- Colombo, C. J. (1958). Telex in Canada. Western Union Technical Review, 12(1), 21–27. ISSN 0096-6452.
- Waite, James (2004). Reducing the cost of distance: Technological change and the globalization of New Zealand, 1960-2000. Global Economy Journal, 4(1). DOI 10.2202/1524-5861.1004.
- Akwule, Raymond U. (1992). Telecommunications in Kenya: Development and policy issues. Telecommunications Policy, 16(7), 603–611. DOI 10.1016/0308-5961(92)90025-K.
- Scott, Susan V. en Zachariadis, Markos (2012). Origins and development of SWIFT, 1973–2009. Business History, 54(3), 462–482. DOI 10.1080/00076791.2011.638502.
- Legg, Steven (2006). Lightweight Directory Access Protocol (LDAP): Syntaxes and matching rules. Internet Engineering Task Force, RFC 4517. DOI 10.17487/RFC4517.
- International Maritime Organization (2024). GMDSS manual, 2024 edition. International Maritime Organization. ISBN 978-92-801-1770-7.
- GOV.UK: Safety bulletin 34: Termination of some HF GMDSS services
- Federal Reserve Bank of St. Louis: Historical statistics of the United States, colonial times to 1970, bicentennial edition, part 2: Telephone and telegraph systems









