Home N en F Radioexamen Hoe bereken je een vervangingsweerstand in de elektronica?

Hoe bereken je een vervangingsweerstand in de elektronica?

Schema van serie en parallel weerstanden met berekening van vervangingsweerstand in een eenvoudige elektronische schakeling
Overzicht van serie en parallel weerstanden en hoe deze samen één vervangingsweerstand vormen in een schakeling

Een vervangingsweerstand bereken je door meerdere weerstanden te vervangen door één weerstand met dezelfde totale werking. De wiskunde hangt af van de schakeling: bij serie tel je weerstanden op, bij parallel tel je omgekeerde waarden op en bij gemengde schakelingen werk je stap voor stap.

In elektronica is dit een basisvaardigheid. Wie een schakeling wil begrijpen, moet kunnen voorspellen hoeveel stroom er loopt en welke spanning over onderdelen staat. De vervangingsweerstand maakt dat mogelijk, omdat een ingewikkeld netwerk van weerstanden wordt teruggebracht tot één overzichtelijke waarde.

Wat is een vervangingsweerstand?

Een vervangingsweerstand is één denkbeeldige weerstand die hetzelfde elektrische effect heeft als meerdere weerstanden samen. Sluit je dezelfde spanning aan op de oorspronkelijke groep weerstanden en op de vervangingsweerstand, dan loopt in beide gevallen dezelfde totale stroom. Voor de spanningsbron maakt het verschil dus niet uit.

Wiskundig betekent dit dat je een verzameling weerstandswaarden vervangt door één equivalente waarde. Het woord equivalent betekent hier: gelijkwaardig in werking. De schakeling wordt niet letterlijk veranderd, maar je rekent alsof dat wel zo is. Daardoor kun je met minder getallen verder rekenen.

De vervangingsweerstand wordt meestal aangeduid als Rverv of Rtot. De eenheid is ohm. Een weerstand van 1000 ohm wordt vaak geschreven als 1 kilo-ohm. Bij berekeningen is het verstandig om alles eerst in dezelfde eenheid te zetten. Reken dus niet zomaar 4,7 kilo-ohm op bij 220 ohm zonder eerst 4,7 kilo-ohm om te zetten naar 4700 ohm.

De rol van de wet van Ohm

Spanning, stroom en weerstand

De wet van Ohm vormt de basis van de meeste eenvoudige berekeningen in elektronica. Deze wet zegt dat spanning, stroom en weerstand met elkaar verbonden zijn. In gewone woorden: hoe groter de spanning, hoe groter de stroom; hoe groter de weerstand, hoe kleiner de stroom.

De formule is:

U = I × R

Hierin is U de spanning in volt, I de stroom in ampère en R de weerstand in ohm. Je kunt dezelfde formule ook omschrijven tot:

I = U / R

of:

R = U / I

Deze formules laten meteen zien waarom de vervangingsweerstand nuttig is. Als je de totale weerstand van een schakeling kent, kun je bij een bekende spanning de totale stroom berekenen. Een batterij van 9 volt met een totale weerstand van 300 ohm levert bijvoorbeeld een stroom van 9 / 300 = 0,03 ampère. Dat is 30 milliampère.

Waarom wiskunde onmisbaar is

Een schakeling is niet alleen een verzameling onderdelen, maar ook een wiskundig model. Elke weerstand heeft een getalwaarde en de manier waarop de onderdelen verbonden zijn, bepaalt welke rekenregel je gebruikt. Serie en parallel zijn dus geen losse trucjes, maar twee verschillende wiskundige situaties.

Bij serie ontstaat een optelsom. Bij parallel ontstaat een breukensom. Bij gemengde schakelingen combineer je beide. Dat is vergelijkbaar met het oplossen van een rekenopgave waarin je eerst haakjes wegwerkt, dan termen samenvoegt en pas aan het einde het eindantwoord bepaalt.

Weerstanden in serie

Hoe herken je serie?

Weerstanden staan in serie als de stroom maar één route heeft. De stroom loopt dan eerst door de ene weerstand, daarna door de volgende. Er is geen aftakking waar de stroom kan kiezen. Alle elektronen volgen hetzelfde pad, alsof ze in een rij door een smalle gang lopen.

Bij een serieschakeling is de stroom door elke weerstand even groot. De spanning verdeelt zich over de weerstanden. Een grotere weerstand krijgt een groter deel van de spanning. Voor het berekenen van de vervangingsweerstand hoef je die spanningsverdeling nog niet te weten; je telt eerst de weerstanden op.

De formule voor serie is:

Rverv = R1 + R2 + R3 + …

Staan er drie weerstanden in serie van 100 ohm, 220 ohm en 330 ohm, dan wordt de vervangingsweerstand:

Rverv = 100 + 220 + 330 = 650 ohm

De totale weerstand is dus 650 ohm.

De wiskundige verklaring bij serie

De serieformule komt rechtstreeks uit de wet van Ohm. In serie loopt overal dezelfde stroom I. Over elke weerstand staat een deelspanning. Voor de eerste weerstand geldt U1 = I × R1, voor de tweede U2 = I × R2 en voor de derde U3 = I × R3.

De totale spanning is de som van de deelspanningen:

Utot = U1 + U2 + U3

Vul je de wet van Ohm in, dan krijg je:

Utot = I × R1 + I × R2 + I × R3

Omdat I in elke term voorkomt, kun je die buiten haakjes halen:

Utot = I × (R1 + R2 + R3)

De totale weerstand is dus precies de som tussen de haakjes. Daarom geldt bij serie: Rverv = R1 + R2 + R3. Dit is algebra in een elektrische jas.

Weerstanden parallel

Hoe herken je parallel?

Weerstanden staan parallel als ze tussen dezelfde twee aansluitpunten zitten. De stroom kan zich dan splitsen over meerdere takken. Elke tak heeft zijn eigen weerstand, maar over elke tak staat dezelfde spanning. Dat is het belangrijkste verschil met serie.

Bij parallel wordt de totale weerstand kleiner dan de kleinste losse weerstand. Dat klinkt eerst vreemd, want je voegt onderdelen toe. Toch is het logisch: je geeft de stroom extra routes. Meer routes maken het makkelijker voor stroom om te lopen. Een extra parallelle weerstand werkt dus als een extra doorgang, niet als een extra blokkade.

De algemene formule voor parallel is:

1 / Rverv = 1 / R1 + 1 / R2 + 1 / R3 + …

Na het optellen van de breuken neem je het omgekeerde. Die laatste stap wordt vaak vergeten. Dan krijg je een uitkomst die wiskundig nog niet klaar is.

Een voorbeeld met twee parallelle weerstanden

Neem twee weerstanden parallel: R1 = 100 ohm en R2 = 200 ohm. Dan geldt:

1 / Rverv = 1 / 100 + 1 / 200

Eerst bereken je de losse breuken:

1 / 100 = 0,010
1 / 200 = 0,005

Daarna tel je op:

0,010 + 0,005 = 0,015

Nu neem je het omgekeerde:

Rverv = 1 / 0,015 = 66,7 ohm

De vervangingsweerstand is dus ongeveer 66,7 ohm. Dat is kleiner dan 100 ohm, de kleinste losse weerstand. Dat klopt met de controleregel voor parallel.

De korte formule voor twee weerstanden

Voor twee parallelle weerstanden bestaat een handige korte formule:

Rverv = (R1 × R2) / (R1 + R2)

Bij R1 = 100 ohm en R2 = 200 ohm geeft dat:

Rverv = (100 × 200) / (100 + 200)

Rverv = 20000 / 300

Rverv = 66,7 ohm

De uitkomst is dezelfde als bij de breukenmethode. Deze formule is vooral handig als je precies twee weerstanden parallel hebt. Bij drie of meer parallelle weerstanden is de algemene formule vaak overzichtelijker.

De wiskundige verklaring bij parallel

Ook de parallelformule komt uit de wet van Ohm. Bij parallel staat over elke tak dezelfde spanning U. De stroom door de eerste weerstand is I1 = U / R1. De stroom door de tweede weerstand is I2 = U / R2. De totale stroom is de som van de takstromen.

Dus:

Itot = I1 + I2

Vul je de wet van Ohm in, dan krijg je:

Itot = U / R1 + U / R2

Omdat U in beide termen voorkomt, kun je schrijven:

Itot = U × (1 / R1 + 1 / R2)

Voor de vervangingsweerstand geldt ook:

Itot = U / Rverv

Deze twee beschrijvingen gaan over dezelfde totale stroom. Daarom moet gelden:

1 / Rverv = 1 / R1 + 1 / R2

Bij parallel tel je dus niet de weerstanden zelf op, maar de omgekeerde waarden. In de elektrotechniek heet zo’n omgekeerde waarde ook wel de geleidbaarheid. Weerstand remt stroom; geleidbaarheid geeft aan hoe makkelijk stroom loopt.

Gemengde schakelingen

Eerst de structuur herkennen

Een gemengde schakeling bevat zowel serie- als parallelstukken. Je kunt die niet in één keer met één simpele formule oplossen. De juiste aanpak is stap voor stap vereenvoudigen. Je zoekt eerst een deel dat duidelijk serie of parallel is, berekent daarvan de vervangingsweerstand en vervangt dat deel door één nieuwe weerstand.

Stel dat R1 = 100 ohm in serie staat met een parallelgroep van R2 = 200 ohm en R3 = 300 ohm. Dan begin je niet met R1. Eerst bereken je de parallelgroep, omdat R2 en R3 samen één blok vormen.

Voor R2 en R3 geldt:

R23 = (200 × 300) / (200 + 300)

R23 = 60000 / 500

R23 = 120 ohm

Nu is de schakeling eenvoudiger geworden. Je hebt R1 van 100 ohm in serie met R23 van 120 ohm. De totale weerstand is:

Rtot = 100 + 120 = 220 ohm

De hele schakeling gedraagt zich dus als één weerstand van 220 ohm.

Knooppunten maken de tekening duidelijk

Bij parallel moet je letten op knooppunten. Een knooppunt is een plek in de schakeling waar draden samenkomen. Twee weerstanden staan parallel als beide uiteinden aan dezelfde twee knooppunten zitten. De tekening kan soms misleidend zijn, omdat draden op papier anders lopen dan in de echte elektrische verbinding.

Een goede methode is om de schakeling opnieuw te tekenen. Draden zonder onderdelen ertussen mag je zien als hetzelfde punt. Door knooppunten dezelfde naam te geven, bijvoorbeeld A en B, zie je sneller welke weerstanden tussen dezelfde punten zitten. Dit is niet alleen elektronica, maar ook meetkunde: je kijkt naar de structuur van het netwerk.

Rekencontrole bij vervangingsweerstand

Controle bij serie

Bij serie moet de vervangingsweerstand altijd groter zijn dan elke losse weerstand in de serieschakeling. Heb je 100 ohm, 200 ohm en 300 ohm in serie, dan moet de totale weerstand groter zijn dan 300 ohm. De uitkomst 600 ohm is dus logisch.

Krijg je bij serie ineens 75 ohm, dan is er iets fout gegaan. Waarschijnlijk heb je per ongeluk een parallelformule gebruikt of een deel van de schakeling verkeerd herkend. Een snelle schatting voorkomt veel fouten.

Controle bij parallel

Bij parallel moet de vervangingsweerstand altijd kleiner zijn dan de kleinste losse weerstand. Twee parallelle weerstanden van 100 ohm en 200 ohm geven samen 66,7 ohm. Dat is kleiner dan 100 ohm, dus de uitkomst past bij de situatie.

Krijg je bij parallel een grotere waarde dan de kleinste weerstand, dan is meestal de laatste omkeer-stap vergeten. Bij 1 / Rverv = 0,015 is 0,015 niet de weerstand. De weerstand is 1 / 0,015. Dit verschil is klein op papier, maar groot in de schakeling.

Controle met stroom

Je kunt de uitkomst ook controleren met de wet van Ohm. Stel dat een schakeling op 12 volt is aangesloten en de vervangingsweerstand is 600 ohm. Dan is de totale stroom:

I = 12 / 600 = 0,02 ampère

Dat is 20 milliampère. Wordt de vervangingsweerstand kleiner, dan wordt de stroom groter. Wordt de vervangingsweerstand groter, dan wordt de stroom kleiner. Deze verhouding is omgekeerd evenredig: stroom en weerstand bewegen tegengesteld als de spanning gelijk blijft.

Praktische betekenis in elektronica

Led, sensor en spanningsdeler

Vervangingsweerstand wordt vaak gebruikt bij ledschakelingen, sensoren en spanningsdelers. Een led heeft meestal een serieweerstand nodig om de stroom te begrenzen. Zonder die weerstand kan de stroom te groot worden en gaat de led kapot. De serieweerstand bepaalt dus mee hoeveel stroom er door de led loopt.

Bij sensoren ontstaan vaak combinaties van weerstanden. Denk aan een lichtsensor of temperatuursensor die samen met een vaste weerstand een spanningsdeler vormt. De spanning op een meetpunt verandert dan doordat de weerstand van de sensor verandert. De wiskunde achter zo’n schakeling begint vaak met het bepalen van de totale weerstand.

Een spanningsdeler bestaat uit twee weerstanden in serie. De uitgangsspanning hangt af van de verhouding tussen die twee weerstanden. Hier komt verhoudingsrekenen bij kijken. De weerstand zelf is dus niet alleen een onderdeel, maar ook een getal in een formule.

Meten met een multimeter

Een multimeter kan weerstand meten, maar alleen betrouwbaar als de schakeling spanningsloos is. Bij een meting stuurt de meter zelf een kleine stroom door het onderdeel. Als er nog spanning op de schakeling staat, klopt de meting niet en kan de meter beschadigd raken.

Ook parallelle paden beïnvloeden de meting. Meet je een weerstand op een printplaat terwijl die nog verbonden is met andere onderdelen, dan meet je vaak niet alleen die ene weerstand. Je meet dan de vervangingsweerstand van alles wat via dezelfde aansluitpunten meedoet. Dat verklaart waarom een weerstand van 10 kilo-ohm op een printplaat soms lager lijkt dan verwacht.

Oefenopgave

Een schakeling bestaat uit vier weerstanden. R1 = 150 ohm staat in serie met een parallelgroep. Die parallelgroep bestaat uit R2 = 300 ohm en R3 = 600 ohm. Na deze parallelgroep staat R4 = 250 ohm weer in serie. De schakeling wordt aangesloten op een spanning van 12 volt.

Bereken de vervangingsweerstand van de hele schakeling. Bereken ook de totale stroom door de schakeling in milliampère.

Uitwerking in stappen

Stap 1: herken de opbouw

De schakeling bestaat uit drie delen achter elkaar: eerst R1, daarna de parallelgroep R2 en R3, daarna R4. R1 en R4 staan dus in serie met de vervangingsweerstand van de parallelgroep. Je moet eerst de parallelgroep uitrekenen.

Stap 2: bereken de parallelgroep

Voor R2 = 300 ohm en R3 = 600 ohm gebruik je de formule voor twee parallelle weerstanden:

R23 = (R2 × R3) / (R2 + R3)

Invullen geeft:

R23 = (300 × 600) / (300 + 600)

R23 = 180000 / 900

R23 = 200 ohm

De parallelgroep heeft dus een vervangingsweerstand van 200 ohm.

Stap 3: tel de seriedelen op

Nu blijft er een serieschakeling over van R1 = 150 ohm, R23 = 200 ohm en R4 = 250 ohm. Bij serie tel je de weerstanden op:

Rtot = 150 + 200 + 250

Rtot = 600 ohm

De vervangingsweerstand van de hele schakeling is dus 600 ohm.

Stap 4: bereken de totale stroom

De spanning is 12 volt en de totale weerstand is 600 ohm. Met de wet van Ohm geldt:

I = U / R

I = 12 / 600

I = 0,02 ampère

Omdat 1 ampère gelijk is aan 1000 milliampère, wordt dit:

0,02 ampère = 20 milliampère

De totale stroom door de schakeling is dus 20 mA.

Stap 5: controleer de uitkomst

De parallelgroep van 300 ohm en 600 ohm is 200 ohm. Dat is kleiner dan 300 ohm, dus dat past bij parallel. De totale schakeling is daarna 150 + 200 + 250 = 600 ohm. Dat is logisch, omdat de drie overgebleven delen in serie staan.

Bij 12 volt en 600 ohm ontstaat een stroom van 20 mA. Dit is een realistische waarde voor een eenvoudige elektronische schakeling. De wiskunde en de elektrische betekenis kloppen dus met elkaar.

Conclusie

Een vervangingsweerstand berekenen is een combinatie van elektronica en wiskunde. Bij serie gebruik je gewone optelling. Bij parallel gebruik je breuken en omgekeerde waarden. Bij gemengde schakelingen vereenvoudig je de schakeling in stappen.

De belangrijkste vaardigheid is het herkennen van de structuur. Wie ziet welke weerstanden in serie staan en welke parallel, kiest automatisch de juiste formule. Daarna volgt de berekening: zorgvuldig invullen, eenheden gelijk maken en het antwoord controleren. Zo wordt een ingewikkelde schakeling teruggebracht tot één bruikbaar getal.

Bronnen en meer informatie

  1. Horowitz, Paul; Hill, Winfield (2015). The Art of Electronics. Cambridge University Press. ISBN 978-0-521-80926-9.
  2. Alexander, Charles K.; Sadiku, Matthew N. O. (2016). Fundamentals of Electric Circuits. McGraw-Hill Education. ISBN 978-0-07-802822-9.
  3. Nilsson, James W.; Riedel, Susan A. (2015). Electric Circuits. Pearson. ISBN 978-0-13-376003-3.
  4. Boylestad, Robert L. (2016). Introductory Circuit Analysis. Pearson. ISBN 978-0-13-392360-5.
  5. Floyd, Thomas L. (2019). Principles of Electric Circuits: Conventional Current Version. Pearson. ISBN 978-0-13-487948-2.